Boekgegevens
Titel: Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Auteur: Berman, A.
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, 1891
2e uitg; Heruitgave van de eerste uitgaaf Haarlem, W.H.J. van Nooten, 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1653
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202571
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Handboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
81
ziet hij de zon en de sterren éénmaal op- en éénmaal ondergaan.
Maar aangezien de maan in den tijd, dat ze een omloop vol-
brengt om de aarde, ook een wenteling volbrengt om haar as,
zoo keert ze dus steeds dezelfde helft harer oppervlakte naar de
aarde toe; de aardbewoner ziet dus steeds dezelfde helft der
maanoppervlakte en krijgt de andere helft nooit te zien, terwijl
omgekeerd alleen de eene helft der maan de aarde zien kan,
en 't van de aarde afgekeerde halfrond der maan de aarde nooit
te zien krijgt. Toch bedraagt het deel, dat de aardbewoner van
de maan te zien krijgt, iets meer dan de helft, n.1. het \ deel,
en wel om de volgende redenen:
1». Omdat de as der maan een geringe helling heeft, zal nu
eens de Noordpool der maan meer naar ons toegekeerd zijn, en
een halven omloopstijd verder zullen we een weinig over de
Zuidpool kunnen heenzien, terwijl op 2 tijdstippen, die juist
tusschen de genoemde inliggen, beide polen zullen liggen in
den omtrek der maanschijf (Vergelijk den stand der aarde en der
aardas op 21 Juni en 21 Dec., 23 Sept. en 21 Maart). Deze
schijnbare libratie of waggeling veroorlooft ons al iets meer dan
de helft der oppervlakte te zien, zonder dat we ons op aarde
behoeven te verplaatsen.
2®. De aswenteling der maan geschiedt met eenparige snel-
heid , zoo ook haar omwenteling om de aarde, maar doordien de
maan met de aarde zich om de zon beweegt, schijnt de maan
nu eens wat harder, dan eens wat langzamer zich voort te
bewegen langs haar baan. De aardbewoner krijgt daardoor nu
eens aan de Hnkerhand, dan eens aan de rechterhand iets van de
andere helft der oppervlakte van de maan te zien (Lengte-libratie).
3o. De afstand van de maan tot de aarde is Mein genoeg om
te maken, dat, bij een aanmerkelijke verplaatsing van den waar-
nemer op aarde, hij pimten van de maansoppervlakte te zien
krijgt, die eerst voor hem verborgen waren, terwijl punten, die
hij eerst zag, dan voor hem verborgen raken. Door verplaatsing