Boekgegevens
Titel: Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Auteur: Berman, A.
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, 1891
2e uitg; Heruitgave van de eerste uitgaaf Haarlem, W.H.J. van Nooten, 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1653
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202571
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Handboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
78
baan noemt men Knoopen, die onderscheiden worden in den
klimmenden knoop, 't punt, van waar de maan zich noordwaarts
begeeft, en den dalenden knoop, 'tpunt, van waar de maan zich
zuidwaarts begeeft.
De kUmmende knoop heet ook wel drakenhoofd, de da-
lende knoop wel drakenstaart. De lijn, die de knoopen ver-
bindt, heet knoopenlijn. Is de knoopenlijn nu gericht naar de
zon, en bevindt de maan zich dan in of vlak nabij een der
knoopen, dan zal er een zon- of een maaneclips ontstaan. De
verduisteringen moeten altijd plaats grijpen in de baan der aarde
om de zon of in den schijnbaren zonsweg, die vandaar zijn
naam ontvangt van ecliptica. Daar de maanbaan een hoek van
5° maakt met de baan der aarde om de zon, verwijdert de maan
zich niet verder dan 23-h 5 = 28^4° van den evenaar der
aarde en kan dus slechts voor plaatsen, die geen grooter breedte
hebben dan 28^2'" in 't toppunt komen.
De equator der maan maakt met de aardbaan een hoek van
en heeft dus met de maanbaan een helling van 6Ko. De
zon verwijdert zich dus nooit verder dan Q^A" ter weerszijden
van den evenaar der maan; de jaargetijden zullen er dus wei-
nig verschillen. De streken nabij den evenaar hebben er dus
altijd zomer, die bij de pool altijd winter. Voor de pool komt
de zon nooit hooger dan 6}^» boven den horizon.
De loopbaan der maan om de aarde is niet een ellips, maar
een epicycloïde.
Fig. 26.