Boekgegevens
Titel: Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Auteur: Berman, A.
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, 1891
2e uitg; Heruitgave van de eerste uitgaaf Haarlem, W.H.J. van Nooten, 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1653
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202571
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Handboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
74
zonder die eigenschap van 't zonlicht zou aUes een grauw,
aschkleurig voorkomen hebben.
Het licht der zon is zoo verblindend, dat 't voor ons oog te
sterk is, en we dus niet met 't bloote oog naar de zon kunnen
zien; het is 618000maal zoo sterk als 't licht der voUe maan,
en overtreft 't licht der helderste ster vele mUlioenen malen.
Zonnevlekhen. Beziet men de zon door een bewalmd of don-
kergekleurd glas, dan wordt opgemerkt, dat men haar niet ziet
als een gelijkmatig verlichte schijf, maar worden er op hare
oppervlakte hier en daar meer of min heldere en donkere plek-
ken opgemerkt, die steeds van vorm en plaats veranderen. Die
donkere plekken noemt men zonnevlekken. Soms zijn ze klein,
soms wel grooter dan de oppervlakte der aarde, zoodat ze wel
zichtbaar zijn met het ongewapend oog; de meeste bestaan uit een
zwarte kern, omgeven door een grauwen rand. De vlekken be-
wegen zich langs de zonneschijf heen, in de richting van 't W.
naar 'tO. Men ziet ze aan den linkerkant der zon verschijnen,
langs de zonneschijf zich heenbewegen om na ongeveer 13 dagen
aan den rechterkant te verdwijnen; dan blijven ze gedurende
circa 13 dagen onzichtbaar, om na verloop van dien tijd weer
aan den linkerkant te verschijnen. Hoe meer nabij den rand
der schijf ze komen, hoe langwerpiger en smaller ze zich ver-
toonen. Uit de beweging der zonnevlekken langs de zon heeft
men besloten, dat de zon een aswenteling moet hebben. De
zon heeft dus een wentelende beweging om een as, en draait daar
omheen in den tijd van 25 dagen en 8 uren, in de richting van
't W. naar 't O.
De zonnevlekken vertoonen zich niet altijd in even groote hoe-
veelheid, maai' schijnen in perioden van 11 jaren regelmatig toe
en af te nemen, welke periode van elf jaren op merkwaardige
wijze overeenkomt met de afwisselingen in de richting der mag-
neetnaald op aarde waargenomen. Daar de vlekken maar twee-
maal in 't jaar zich voortbewegen langs rechte hjnen, en op