Boekgegevens
Titel: Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Auteur: Berman, A.
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, 1891
2e uitg; Heruitgave van de eerste uitgaaf Haarlem, W.H.J. van Nooten, 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1653
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202571
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Handboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
groot, dat de afmetingen der aarde daarbij verdwijnen, zoodat
'tgenoemde bezwaar geheel zal wegvallen. De hoek toch, dien
de as der aarde maakt met de lijn, die 't oog van den waarne-
mer verbindt met de poolster, is ondenkbaar klein, zoodat de 2
lijnen, die den hoek vormen, gerekend kunnen worden evenwij-
dig te loopen. De eigen beweging van den waarnemer zal dus
geen schijnbare beweging van 't voorwerp teweegbrengen. Wan-
neer nu de afmetingen der aarde, gerekend bij den afstand der
sterren, in 't niet zinken, dan kan 't verschijnsel van de dage-
lij ksche omwenteling des hemels 't gevolg zijn van
de omwenteling der aarde om een as, die voortdurend gericht
is naar eenzelfde punt aan den hemel, en die geschiedt in een
richting tegenovergesteld aan die, waarin zich alle lichamen
buiten de aarde schijnen te bewegen.
Zoo als 't verschijnsel zich voordoet aan ons oog in de streek
van de aarde, waar wij ons bevinden, wordt 't waargenomen op
verschillende plaatsen der aarde. Alvorens dit nader te kunnen
aanwijzen, is 't noodig om uit de dagelijksche waarnemingen en
uit bekende feiten, juiste begrippen af te leiden omtrent den
vorm der aarde.
Gedaante der aarde.
De dagelijksche waarnemingen leeren ons al spoedig, dat de
aarde begrensd wordt door een gebogen oppervlak.
1°. Als men met behulp van een kijker of met 't bloote oog
aan 't strand der zee de naderende schepen bespiedt, zoo ziet
men deze nooit plotseling in hun geheel verschijnen. Eerst be-
merkt men den top van den mast, later de zeilen, en dan den
romp van 't schip, maar nooit 't geheele schip in eens. Omge-
Iceerd verliest men bij een vertrekkend schip eerst den romp uit
'toog; dan verdwijnen de zeilen; de masttop blijft't langst zicht-