Boekgegevens
Titel: Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Auteur: Berman, A.
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, 1891
2e uitg; Heruitgave van de eerste uitgaaf Haarlem, W.H.J. van Nooten, 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1653
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202571
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Handboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
64
Langste dag is voor 't N. Halfrond :
12"35' — 13"13' — 13"56' — 14''51' — 16"9' — 18"30'
op lo» — 20« — 30» — 40» — 50° — 60° breedte,
Bestendig dag 65dg — 103dg — 134dg — 161dg — 186dg
Bestendig nacht 60dg — 97dg — 127dg — 153dg — 179dg
op 70° — 75° — 80» — 85° — 90° N.B.
Zoo zal 't b. v. voor een plaats op 80» N.B. onafgebroken dag
worden, zoodra de zon 10° N. declinatie heeft (16 April) en dag
blijven tot de zon na 21 Juni weer 10° N. declinatie heeft (28
Aug.), dan is er in de 24" afwisselend dag en nacht tot de zon
10» Z. declinatie heeft (21 Oct.) om dan onafgebroken nacht te
worden tot de zon na 21 Dec. weer 10» Z. declinatie heeft (23
Febr.), dan is er weer in elke 24« ééns dag en nacht, tot de zon
10° N. declinatie heeft (16 April).
Men heeft er dus van 23 Febr. tot 16 AprU ééns in de 24 uren
dag en nacht, dan heeft men van 16 April tot 28 Aug. onafge-
broken dag, dan van 28 Aug. tot 21 Oct. in de 24 uren weer
eens dag en eens nacht en dan van 21 Oct. tot 23 Febr. onaf-
gebroken nacht.
Werkelijke lengte van den dag.
De werkelijke duur van den dag op genoemde breedte is iets
langer, omdat hier de invloed van den atmosfeer en de straal
der zon buiten rekening zijn gelaten. Daar de schijnbare straal
der zon circa 16' is, verschijnt de rand der zon eer boven den
horizon en zinkt later beneden den horizon (voor onze breedte
circa 2 minuten) dan 't middelpunt der zon. Een meer bedui-
denden invloed op de daglengte oefent de atmosfeer uit. Daar
de zonnestralen bij 't doorloopen van den dampkring steeds door
dichtere luchtlagen heen gaan, wijken ze van de rechte richting
af en volgen een kromlijnigen weg, welks concaviteit naar onder
gekeerd is. Een beschouwer in O ziet de zon in a als ze wer-