Boekgegevens
Titel: Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Auteur: Berman, A.
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, 1891
2e uitg; Heruitgave van de eerste uitgaaf Haarlem, W.H.J. van Nooten, 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1653
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202571
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Handboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
57
66 d. i. komt de zon nooit lager boven den horizon. Om de
zonshoogte voor zekeren dag voor een plaats onder den evenaar
te berekenen, moet de declinatie der zon op dien dag maar van
90" worden afgetrokken.
B. Voor een plaats ttjsschen evenaar en keerkring.
Fig. 19. Zij NS = de as
der aarde, =
equator, ZW — de
zonsweg, HO — de
horizon van 6, dat op
15° N.B. ligt, B 't
zenith van h.
Uit de figuur is
te zien, dat met 't
toenemen der N. de-
clinatie de dagbogen
grooter, met 't toe-
nemen der Z. decli-
natie de dagbogen
kleiner worden. De
horizon deelt nu de cirkels, door de zon in 24" afgelegd, niet
meer midden door, uitgenomen de 2 cirkels door de zon be-
schreven op 21 Maart en 23 September, als wanneer ook voor
b dag en nacht even lang zijn, zooals dat trouwens over dè gan-
sche aarde 't geval is. Op 21 Maart staat de zon in E (in den
evenaar), culmineert dan in A, zonshoogte — AH— HB — AB=z
90° —15» = 75". Heeft de zon 1.5° N. declinatie (in H'), wat 2
maal in 't jaar (vóór en na 21 Juni) gebeurt, dan culmineert de
zon in B, zijnde 't toppunt van i; zonshoogte = 90°.
Heeft de zon 235° declinatie (in W\ dan culmineert ze in
Z>; zonshoogte = DB — ^(i<'—{AD — AB) = %0'> —
+ 15» m 90° — 8^» = 81