Boekgegevens
Titel: Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Auteur: Berman, A.
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, 1891
2e uitg; Heruitgave van de eerste uitgaaf Haarlem, W.H.J. van Nooten, 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1653
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202571
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Handboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
dan zegt men: de zon staat in A of B. Door de verbindingslijn
van Eam en Weegschaal en die van Kreeft en Steenbok, welke
lijnen elkaar rechthoekig snijden, wordt de aardbaan in 4 kwa-
dranten verdeeld. De tijd, waarop de zon in 't sterrebeeld de
Ram treedt (21 Maart), heet lentepunt. De zon staat dan van
uit de aarde gezien in den Ram, terwijl de aarde van uit de zon
gezien in de Weegschaal staat.
Viel nu de groote as der ellips, de zoogenaamde lijn der
apsiden, samen met de lijn Steenbok—Kreeft, dan zou de aarde
op 21 Maart 90° van 't perihelium verwijderd zijn. Genoemde
lijnen maken evenwel een hoek van 11°, daardoor is de aarde
op 21 Maart pas 79° van 't perihelimn af. De beide kwadranten
A'B' en B'A, die de aarde in 't zomerhalfjaar te doorloopen
heeft, bevatten grootere bogen, die tevens, omdat ze verder van
de zon verwijderd zijn, langzamer door de aarde worden door-
loopen (ten tijde van 't perihelium doorloopt de aarde 4,10 G. M.
per seconde en ten tijde van 't aphelium 3,83 G. M. per seconde).