Boekgegevens
Titel: Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Auteur: Berman, A.
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, 1891
2e uitg; Heruitgave van de eerste uitgaaf Haarlem, W.H.J. van Nooten, 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1653
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202571
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Handboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
51
van dien hoek te bepalen. Het licM der zon heeft 8' 13" noodig
om van de zon tot de aarde te komen, terwijl b. v. dat van de
naaste ster oC uit Centaurus 3^ jaar, dat van ster 61 uit de
Zwaan 6J jaar noodig heeft om tot de aarde te komen. De snel-
heid, waarmee de aarde haar baan om de zon doorloopt, is niet
gelijkmatig; 't grootst 'ten tijde van 't perihelium, 't kleinst ten
tijde van 't aphelium. De aardbaan heeft eene lengte van 126
miUioen G. M. Gemiddeld legt de aarde per dag een boog af
van 59' 8" of 344590 G. M., d. i. ± 4 G. M. per seconde; in
't perihelium is de grootte van den dagelijks beschreven boog
61' 10", in 't aphelium 57' 11". In een jaar scliijnt de zon met
ongelijkmatige snelheid een baan aan 't hemelgewelf te doorloopen
van 't W. naar 't O. Die schijnbare zonsweg wordt ook genoemd
Ecliptica. Bij haren schijnbaren omloop doorloopt de zon een rij
van 12 sterrenbeelden aan 't hemelgewelf, die van 't W. naar 't O.
zijn: Ram, Stier, Tweelingen (= de 3 lenteteekens), Kreeft,
Leeuw, Maagd (= de 3 zomerteekens). Weegschaal, Schorpioen,
Schutter (= de 3 herfstteekens), Steenbok, Waterman, Visschen
(= de 3 winterteekens). Deze rij van sterrebeelden heet: Dieren-
riem of Zodiucus.
Zij a de aarde op een zeker punt harer loopbaan, zoo zal voor
den waarnemer in a de zon Z de vaste ster A bedekken, of,
zooals men ook wel zegt, in A staan; is de aarde in h gekomen,
dan wordt de zon gezien in B, wordt gezegd in i? te staan.
Daar men met goede kijkers de helderste vaste sterren bij dag
kan zien, zijn zulke waarnemingen niet onmogelijk.
Door lengte der zon verstaat men haar afstand van 't lente-
punt gemeten op de ecliptica. Bij 't begin der astronomische
lente is de lengte = 0°; in 't apheüum (2 Juli) = 100"; bij
't begin van den astronomischen herfst (23 September) 178°, in
't perihelium 281°. Men pleegt nog heden de stelling der aarde
in eenig punt harer loopbaan te bepalen naar de schijnbare be-
weging der zon om de aarde. Bevindt de aarde zich in a of h^