Boekgegevens
Titel: Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Auteur: Berman, A.
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, 1891
2e uitg; Heruitgave van de eerste uitgaaf Haarlem, W.H.J. van Nooten, 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1653
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202571
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Handboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
48

Kg. 14.

PEFQDCP zij de
evenaar, .4 en zijn
sterren, FBD en
EAC vlakken lood-
recht op den evenaar,
waarin de sterren
-ö en ^ gelegen zijn.
F zij 't lentepunt,
dan is van A
AC = declinatie
of afstand van den
evenaar, FC = de
rechte klimming.
Van ster B is BD = de declinatie
en FB = de rechte klimming of afstand van 't
lentepunt.
2°. door azimuth en hoogte.
Azim\ith noemt men den hoek, dien de meridiaan der plaats
van waarneming maakt met een vlak, waarin de ster ligt, wier
plaats bepaald moet worden, en welk vlak loodrecht op den
horizon staat; hoogte noemt men den afstand van den horizon,
dien de ster heeft.
't Azimuth wordt gemeten op den horizon van 't Zuiden naar
't Westen den horizon rond; de hoogte wordt gemeten op den
vertikaalcirkel der ster.
Heeft men op een der genoemde wijzen de plaats eener ster
bepaald dan moeten de waarnemingen nog verbeteringen onder-
gaan , omdat men de ster niet juist ziet op de plaats waar ze
aan den hemel staat. De verplaatsing der nachtseveningpunten
of praecessie in den loop der tijden, de aberratie van 't licht,
de refractie of straalbreking en nog andere zaken moeten, om
de juiste plaats der ster aan den hemel te weten, worden in
rekening gebracht. Hieruit blijkt dus, dat dergelijke plaatsbepa-