Boekgegevens
Titel: Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Auteur: Berman, A.
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, 1891
2e uitg; Heruitgave van de eerste uitgaaf Haarlem, W.H.J. van Nooten, 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1653
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202571
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Handboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
45
slechts 't lengteverschil op zee, maar ook dat te land wordt vaak
door chronometers bepaald.
De eerste lengtebepaling verrichtte Ptolomeus, naardien hij uit
de opgaven omtrent den tijd, dat in 331 v. C. te Arbela en te
Carthago een maansverduistering werd gezien, het verschil in
lengte van beide plaatsen bepaalde.
Voor 'tgeval, dat men geen gelegenheid heeft 'tculmineeren
der zon gade te slaan, zal men zich ook ter bepaling van de
lengte kunnen bedienen van een ander hemellichaam. De zee-
man moet daarom in 't bezit zijn van sterrekundige jaarboeken,
die voor eiken dag nauwkeurig aangeven den tijd van doorgang
van die hemellichamen door den meridiaan van Greenwich. Een
vergelijking van die opgave met den volgens den chronometer
bepaalden tijd van den doorgang geeft 't tijdverschil en zoodoen-
de 't lengteverschil aan. Mochten de chronometers door de een
of andere oorzaak niet meer gelijkmatig loopen, dan moet de
zeeman zijn toevlucht nemen tot de verschijnselen aan den hemel.
Het is niet noodig van alle punten der aardoppervlakte de
ligging naar lengte en breedte te bepalen langs astronomischen
weg. Als in een land eenige van zulke punten derwijze bepaald
zijn, zoo kan men door triangulatie de ligging van andere punten
gemakkelijk bepalen.
Van lang niet alle plaatsen, die op onze kaarten geteekend
staan, is naar een dezer genoemde methoden lengte en breedte
bepaald. Er zijn nog uitgestrekte vlakten, waarvan geen enkel
of uiterst weinige pimten astronomisch zijn vastgesteld. De car-
tograaf bepaalt de ligging zulker plaatsen op de volgende wijze:
"Wanneer aanhoudend slecht weer de sterrekundige waarne-
mingen belemmert, dan blijft den zeevaarder nog een middel over
om bij benadering zijn stelling te bepalen, nl. de log, door
middel waarvan hij den in zekere tijdruimte afgelegden weg meet,
en 't compas, dat de richting aanduidt van den afgelegden weg.
Lengte en richting van den weg voeren ongeveer tot de kennis