Boekgegevens
Titel: Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Auteur: Berman, A.
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, 1891
2e uitg; Heruitgave van de eerste uitgaaf Haarlem, W.H.J. van Nooten, 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1653
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202571
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Handboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
mam
41
clinatie der zon is voor eiken dag des jaars nauwkeurig bere-
kend, zoodat men de breedtebepalingen op eiken willekeurigen
dag kan doen.
Op 't Noordelijk halfrond moet men de zonshoogte op den na-
middag in den zomer verminderen met de Noorderdeclinatie, in
den winter vermeerderen met de Zuider declinatie om te vinden
't complement der geografische breedte. Om bijv. de breedte te
bepalen van een plaats, die op 15 Mei de zon 58" boven den ho-
rizon ziet, heeft men, daar do zon op 15 Mei 19° Noorder de-
clinatie heeft:
58°—19° = 39°= complement der breedte; breedte = 90°—39°
= 51° of de breedte eener plaats, die op 21 October een zons-
hoogte heeft van 49° 17', bedraagt, daar de zon op dien dag een
Zuider declinatie heeft van 10'' 43':
49° 17' +10° 43' = 60° = compl. der breedte; breedte=90°—60''=30°.
2a. Had men geen instrument om de zonshoogte te meten,
dan bestaat er nog een middel om deze te vinden, nl. de
schaduw, die een vertikaal gestelde stok afwerpt, want tang. [_
a = —Men moet evenwel bedenken, dat de lijn A C van den
l> C.
bovenkant der zon komt, terwijl men om de zonshoogte te weten
de lijn AD noodig heeft, die uit het middelpunt der zon over den top
Fig. 13.