Boekgegevens
Titel: Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Auteur: Berman, A.
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, 1891
2e uitg; Heruitgave van de eerste uitgaaf Haarlem, W.H.J. van Nooten, 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1653
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202571
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Handboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
34
zijn. Het zou dan ook niet mogelijk zijn de lengte van meri-
diaangraden te meten, zooals men nu doet, zoo men niet in de
bolvormige driehoeksmeting of triangulatie een hulpmiddel bezat,
dat de werkelijk te meten weglengte tot een naar verhouding
klein gedeelte beperkte, welk deel men de basis der triangulatie
noemt, en de lengte van welk deel zelden 7 tot 15 K. M. te boven
gaat. De graadmetingen, oorspronkelijk verricht om de grootte
der aarde te leeren kennen, die men zich tot in 't midden der
17"'® eeuw als volkomen bol dacht, bewezen meteen ook de af-
platting der aarde, zooals we in de vorige bladzijde vernamen.
Graadmetingen. De eerste, die door rechtstreeksche meting
de grootte der aarde bepaalde, was Eratosthenes (+ 196 v. C.)
Hij bepaalde den afstand tusschen Alexandrië en Syene aan den
Mjl, van welke plaatsen hij aannam, dat ze onder denzelfden
meridiaan gelegen waren. Men wist, dat te Syene de zon in
den zomer geen schaduw gaf, dat de zon er eens in 't jaar
in top kwam; het lag derhalve onder den keerkring. Op den
längsten dag, toen de zon te Syene in top stond, bepaalde Era-
tosthenes de zonshoogte te Alexandrië en bevond, dat ze daar
7° 12' of van een cirkelomtrek van 't zenith afstond. De
afstand der beide plaatsen was 5000 stadiën, en dus vond hij
voor den omtrek der aarde 50 X 5000 = 250000 stadiën van
158 M. of 5323 G. M. Een tweede meting geschiedde in 827
n. C. door de Arabieren onder Kalif Al Mamum. De derde
graadmeting geschiedde tusschen Amiëns en Parijs door den
Franschman Femel in 1525. De gewichtigste verbetering in de
metingen van meridiaangraden is onzen landgenoot WUlebrordus
Snellius (1617) te danken, die door middel der triangulatie de
grootte van den boog mat tusschen Bergen op Zoom en Alk-
maar en de lengte van een graad vond 57033 toises te zijn.
Alle graadmetingen geschieden nog volgens de door hem aan-
gegeven methode.
Zij PQ de te meten meridiaanboog. Men mete dan in de