Boekgegevens
Titel: Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Auteur: Berman, A.
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, 1891
2e uitg; Heruitgave van de eerste uitgaaf Haarlem, W.H.J. van Nooten, 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1653
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202571
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Handboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
Naar aanleiding van dit verschijnsel spraken Newton en Huij-
ghens de meening uit, dat de oorzaak zou gelegen zijn in een
vermindering der zwaartekracht naar den evenaar toe. Deels zou
deze vermindering zijn toe te schrijven aan de naar den evenaar
toe toenemende middelpuntvliedende kracht (vliegkracht), ont-
staan door de aswenteling der aarde; deels aan de uitzetting
der aarde onder den evenaar, en daarmee gepaard gaande af-
platting aan de polen, zoodat men onder den evenaar verder
verwijderd is van 't middelpunt der aarde dan onder de pool.
Is toch de aarde geen volkomen bol, dan zullen aUe pimten
op haar oppervlak niet meer evenver van 't middelpunt gelegen
zijn en daar de werkingen der zwaartekracht op verschUlende
punten zich verhouden als de vierkanten der afstanden van 't
middelpunt van aanti-ekking, zoo moet ze minder worden op pim-
ten, die verder van dat middelpunt verwijderd zijn. De vlieg-
kracht werkt ook de zwaartekracht tegen, en is die tegenwerking
onder de pool nul, naar den evenaar neemt ze toe. De grootte
der vliegkracht onder den evenaar is 0,0339 M. per secunde,de
versnelling der zwaarteki-acht onder den evenaar is 9,7807 M.,
dus 288,4 of circa 289 ml. zoo groot; draaide nu de aarde om
haar as 289 = 17 ml. sneller, dan zou de vHegki-acht de
zwaartekracht zijn en de voorwerpen van de aarde weggeslingerd
worden in het wereldruim. Huijghens (1629—95) en Newton
(1642—1726) toonden aan, dat men uit de wetten der vliegkracht
moet besluiten, dat, als de aarde eenmaal vloeibaar of een plas-
tische (kneedbare) massa was, ze niet volkomen rond, maar
afgeplat moest zijn aan de uiteinden der draaiingsas. "Wüde men
alleen aannemen een afplatting van 't waterhulsel, zoo zou 't land
onder den evenaar overstroomd zijn, aldus moet ook de vaste
massa aan de afplatting deel nemen (Proef van Huijghens met
een kleibal, die snel om zijn as wordt rondgedraaid). Er ontstond
nu een hevige strijd tegen de leer van Huijghens en Newton,
vooral van de zijde van Cassini te Parijs, die beweerde, dat de