Boekgegevens
Titel: Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Auteur: Berman, A.
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, 1891
2e uitg; Heruitgave van de eerste uitgaaf Haarlem, W.H.J. van Nooten, 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1653
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202571
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Handboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
31
ting en aan den wind, die van de zuidpool naar den evenaar
waait, een Z.0. richting geeft. (Het verschijnsel der passaat-
winden wordt verklaard in de natuurkundige aardrijkskunde).
5°. De secondeslinger moet, om in een seconde een schom-
meling te blijven volbrengen, van de pool naar den evenaar toe
korter worden, tengevolge van de vermindering in zwaartekracht
naar den evenaar toe, veroorzaakt door de grootere snelheid van
die deelen der aarde. Picard in Frankrijk was de eerste, die
opmerkte, dat de secondeslinger niet overal op aarde dezelfde
lengte heeft. Om dit aan te toonen ging Richer in 1672 van
Parijs naar Cayenne en vond inderdaad, dat men den Parijzer
secondeslinger 2^ mM. verkorten moest om hem weer een schom-
meling in een seconde te doen volbrengen.
6'. De gestadige afwisseling van dag en nacht.
Beurtelings is een deel der aarde naar de zon toegekeerd,
wordt door 't zonlicht beschenen en heeft dus dag; dan is 't
van de zon afgewend, verkeert dus in 't donker en heeft nacht,
terwijl dan een ander deel der aarde zich in 't zonlicht verheugt.
Elke 24" heeft geregeld die afwisseling plaats en heeft een plaats
op aarde eenmaal in dien tijd dag en eenmaal nacht, uitgezon-
derd die plaatsen, die binnen de poolcirkels liggen, en waar,
tengevolge van den schuinen stand der aardas, die geregelde af-
wissehng in de 24" niet plaats heeft.
De afplatting der aarde en hare aftnetingen.
Meende men vroeger algemeen, dat de aarde een bol was,
latere onderzoekingen en ervaringen hebben geleerd, dat ze geen
volkomen bol is, maar aan de polen eenigszins is afgeplat. Bewij-
zen voor die afplatting heeft men o. a. gevonden in de omstandig-
heid, dat de slinger niet op alle plaatsen der aarde dezelfde
lengte moet hebben om secondeslinger te zijn.