Boekgegevens
Titel: Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Auteur: Berman, A.
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, 1891
2e uitg; Heruitgave van de eerste uitgaaf Haarlem, W.H.J. van Nooten, 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1653
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202571
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Handboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
lichamen in 24 uur him baan moeten doorloopen, dan zouden
die ver verwijderde sterren zich met een snelheid langs haar
baan moeten bewegen, zoo verbazend groot, dat 't ons dtiizelt
in 't hoofd bij die gedachte.
Yeel waarschijnlijker is dus de beweging der aarde om hare
as. Bovendien zijn er zoovele zaken, die slechts hare verklaring
kunnen vinden in de aswenteling der aarde, dat deze thans bo-
ven allen twijfel verheven is.
Bewijzen voor de aswenteling der aarde.
1". De afplatting der aarde aan de polen.
Toen de aarde nog in 't tijdperk harer vorming was, verkeerde
ze in minder vasten, meer weeken toestand, dan thans. Bij de
aswenteling verkregen de deelen onder den evenaar, wegens den
verderen afstand van de omwentelingsas, grootere snelheid dan
die aan de polen; met die grootere snelheid ging gepaard eene
vermindering aan zwaartekracht, tengevolge waarvan de aarde
onder den evenaar zich uitzette en aan de polen afgeplat werd.
2". Proeven van Benzenberg (1800) omtrent de afwijking van
een vallend lichaam.
Veronderstel dat een lichaam zich bevindt op den top van een
hoogen toren. Daar de top van den toren verder van het middel-
punt der aarde afstaat dan de voet, zoo heeft die top ook grooter
snelheid en beschrijft in denzelfden tijd een grooteren cirkel dan
de voet. Het lichaam op den torentop heeft grooter snelheid dan
de voet des torens en behoudt die snelheid, als men 't laat val-
len; het komt dus iets oostelijk van den torenvoet te liggen. De
afstand van den voet der loodlijn, neergelaten uit 't punt waar
't lichaam werd losgelaten, tot aan 't punt waar 't op den grond
komt, zal gelijk moeten zijn aan 't verschil in lengte der cirkel-
bogen beschreven door top en voet ^van den toren, gedurende den
tijd dat 't lichaam valt. Deze afwijking van 't gevaUen lichaam
van den loodrechten stand zal alleen waar te nemen zijn, als 't
een aanzienlijke valhoogte heeft. Benzenberg liet daartoe kogels