Boekgegevens
Titel: Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Auteur: Berman, A.
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, 1891
2e uitg; Heruitgave van de eerste uitgaaf Haarlem, W.H.J. van Nooten, 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1653
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202571
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Handboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
28
stand hebben ten opzichte van den horizon. De dagelijksche
beweging der sterren, zooals die zich voordoet voor een waar-
nemer, die tusschen den equator en dé pool woont, noemt men
Schuinsche sfeer. Van aUe sterren, die op- en ondergaan, zijn
alleen zij even lang boven als beneden den horizon zichtbaar,
die in 't vlak van den equator liggen.
Zooals uit de vorige bladzijde blijkt, beweegt de zon zich
schijnbaar tusschen de punten W en F en liggen haar culmi-
natiepunten altijd tusschen de punten 1) en Z, voor 't zomer-
halfjaar tusschen A en D, voor 't winterhalfjaar tusschen A en
Z; het geheele jaar door dus zuidelijk van 't toppunt B. Op
den middag staat dus voortdurend de zon in 't Zuiden en wijst
de schaduw van een loodrecht geplaatsten staak op den middag
dus steeds naar 't Noorden. Daarom worden de bewoners van
dat deel der aarde, dat zich bevindt tusschen pool en equator,
genoemd Eenzijdsschaduwgevendm.
Beweging der aarde om hare as, aswenteling of rotatie.
Bij de beschouwing van de dagelijksche beweging der hemel-
lichamen schijnen deze ons toe in 24 uren zich om de aarde te
bewegen in eene richting van Oost naar West. Dit verschijnsel
zal ook ontstaan als de aarde in denzelfden tijd om haar as
wentelt in tegengestelden zin, dus van West naar Oost. Nu rijst
de vraag, welke van de twee verklaringen van 't verschijnsel der
dagelijksche beweging van de hemellichamen de ware is.
Dat de hemellichamen zich in 24 uren om de aarde bewegen,
is a priori zeer onwaarschijnlijk; want ware dit 't geval, dan
zouden de hemellichamen in den korten tijd van 24 uren onme-
teüjk groote cirkels moeten beschrijven; hoe verder van de aarde
verwijderd, hoe grooter de omvang is van de baan, door 't li-
chaam in 24 uren af te leggen. Als men dan rekent, dat alle