Boekgegevens
Titel: Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Auteur: Berman, A.
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, 1891
2e uitg; Heruitgave van de eerste uitgaaf Haarlem, W.H.J. van Nooten, 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1653
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202571
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Handboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
21
Zij de kleine cirkel de doorsnede des aardbeis, de groote die
van 't hemelgewelf. N is de noordpool des hemels, n die der
aarde, S de zuidpool des hemels, s die der aarde. NS de he-
melas, ns de as der aarde. B het standpunt des waarnemers
op aarde, Z het zenith of toppunt, ld de schijnbare en HR de
ware horizon van B) AE de equator des hemels, ae die der
aarde; CK de ecliptica aan den hemel, ck die op aarde. HZNKSH
de meridiaan van B aan den hemel, hznksh de meridiaan op
aarde; beide meridianen liggen natuurlijk in hetzelfde vlak. Eene
ster, die in d, haar laagsten stand, den horizon van B aan-
raakt, bereikt 12 uur later in y haar hoogsten stand en gaat
daar door den meridiaan; zoo ook gaat de ster in p 12 uur later
in q door den meridiaan ] d en p zijn nu circumpolairsterren voor
B. De middelpunten van alle cirkels, die de sterren in 24" om
de aarde beschrijven, liggen in de hemelas, terwijl die cirkels
alle evenAvijdig met den equator loopen. De ware horizon HR
en de schijnbare horizon ld van B hebben een afstand van Bx
of de straal der aarde, maar in vergelijking met den onmetelijken
afstand der sterren van de aarde, is die afstand Bx zoo iiiterst
gering, dat beide vlakken kunnen gerekend worden samen te
vaUen, en dus hun afstand = O gerekend wordt. Verschijnt
toch een ster in //, dan verschijnt ze tegelijkertijd ind; zij ver-
schijnt dus op hetzelfde oogenblik in den waren en den schijnbaren
horizon van B ] daarom kan 't ;uin de oppervlakte der aarde ge-
plaatste oog gerekend worden in 't middelpunt der aarde gelegen
te zijn, en daar waarnemingen te doen. Een oog in B overziet
dus het halve hemelgewelf HZR. Aangezien men met betrek-
king tot waarnemingen aan den sterrenhemel rekent ware en
schijnbare horizon eener plaats saam te vaUen, zoo is NS de
horizon van a, AE die van n of voor plaatsen onder den equator
ligt de wereldas in den horizon, en voor plaatsen onder de pool
valt het vlak van den equator samen met dat van den horizon.