Boekgegevens
Titel: Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Auteur: Berman, A.
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, 1891
2e uitg; Heruitgave van de eerste uitgaaf Haarlem, W.H.J. van Nooten, 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1653
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202571
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Handboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
19
polen) of men ziet een deel der sterren op- en ondergaan, een
ander deel steeds |boven den horizon, en weer een ander deel
blijft steeds beneden den horizon , en is dus altijd onzichtbaar
(voor plaatsen tusschen pool en equator). Die sterren, welke, voor
eenige plaats op aarde, minder ver van de pool staan, dan deze
verheven is boven den horizon der plaats, dalen dus nimmer
beneden dien horizon, maar volbrengen haar geheelen loop er
boven; de waarnemer op die plaats der aarde ziet ze dus haar
geheelen cirkelloop boven zijn horizon volbrengen. Zulke sterren
heeten circumpolairsterren.
Men verdeelt de sterren hoofdzakelijk in 2 klassen, namelijk:
1. vaste sterren, die ten opzichte van elkaar bestendig dezelfde
plaats aan den hemel innemen. Ze schitteren met eigen licht
en vertoonen zich als lichtende punten van ongelijken glans voor
't oog. Naar de lichtsterkte, waarmee ze schitteren, verdeelt
men ze in 18 klassen, waarvan de eerste 6 klassen sterren be-
vatten, zichtbaai' met 't bloote oog. Een ster der 2e grootte in
't sterrenbeeld van den Kleinen Beer (arctos) is meer bekend
dan de andere, en heet, om hare ligging vlak nabij de hemel-
noordpool poolster. De noordpool wordt daarom wel de arctische,
de zuidpool de antarctische pool genoemd. Om beter den weg
aan den hemel te kimnen vinden, heeft men reeds in de hooge
oudheid eenige sterren verbonden \jai een sterrenbeeld of gesternte,
zonder dat ze daarom physisch bijeenbehooren. Men gaf dien
sterrenbeelden een bepaalden naam ter onderscheiding van an-
dere sterrenbeelden; b.v. Orion, Sirius, de Stier, de groote Beer enz.
2. Planeten of dwaalsterren hebben geen vaste plaats aan den
hemel, maar staan op verschillende tijden bij verschillende vaste
sterren; ze schijnen rond te dwalen in het hemelruim, van daar
de naam dwaalsterren. Men onderscheidt ze in groote en kleine.
Onze aarde behoort ook tot de planeten.
Men onderscheidt ook nog kometen, vallende sterren enz.,
doch daarvan zal later sprake zijn.