Boekgegevens
Titel: Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Auteur: Berman, A.
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, 1891
2e uitg; Heruitgave van de eerste uitgaaf Haarlem, W.H.J. van Nooten, 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1653
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202571
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Handboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
IC
die van andere 180° in lengte verschilt en wier breedte tegen-
overgesteld is, dus heeft de een noorder-, dan heeft de ander
zuiderbreedte. De tegenvoeters verschillen 12>' in tijd en hebben
tegenovergestelde jaargetijden.
Omwoners noemt men de menschen, die onder denzelfden pa-
rallel wonen, maar wier woonplaatsen 180° in lengte verschillen
Ze hebben hetzelfde jaargetijde, maar verschillen 12'' in tijd.
Tegenwoners zijn de menschen, die onder denzelfden meridiaan
wonen, maar tegenovergestelde breedte hebben. Ze hebben op 't
zelfde oogenblik middag, maar tegenovergesteld jaargetijde.
Lengte der meridiaan- en parallelgraden.
Was de aarde een volkomen bol, wat in de meeste gevallen
wordt aangenomen, dan zou de lengte van een graad op den
meridiaan 15 G. M. 111,3 K.M. zijn. Nu de aarde geen volko-
men bol is, bedi-aagt de lengte van O—1° breedte 14,9 G.M. van
89—90° breedte 15,05 G. M.
Aangezien de omvang der parallellen naar de polen toe af-
neemt, verschillen ook de graden op den parallel in lengte, en
worden naar de polen toe kleiner,
op 0° — 10° — 20° — 30°— 40° — 50° — 60° — 70° — 80° — 90°
breedte is
15—14,77 —14,10 —13—11,51 — 9,66— 7,52 —.5,14— 2,61— O
G. M. de lengte van 1 graad op den parallel.
Azimuth eener ster is de boog of hoek tusschen den meri-
diaan eener plaats en een loodrecht op den horizon gesteld vlak,
waarin die ster ligt, of den vertikaalcirkel der ster, welke hoek
gemeten wordt op den horizon. Daar nu de hoogte eener ster
aanwijst den afstand van den horizon gemeten op den vertikaal-
cirkel, en azimuth den afstand van den meridiaan eener plaats
gemeten op den horizon, zoo is door azimuth en hoogte de plaats
van een ster aan 't hemelgewelf volkomen bepaald.