Boekgegevens
Titel: Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Auteur: Berman, A.
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, 1891
2e uitg; Heruitgave van de eerste uitgaaf Haarlem, W.H.J. van Nooten, 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1653
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202571
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Handboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
uitsluitend naar den meridiaan van Greenwieh, omdat de voor-
naamste en beste zeekaarten en de meest gebruikte astronomische
tafels voor de zeevaart er op gebaseerd zijn. AUe plaatsen onder
denzelfden meridiaan gelegen, hebben op hetzelfde oogenblik
middag. De meridianen op aarde dienen ter bepaling van de
geografische lengte eener plaats op aarde.
Parallellen of breedtecirkels zijn denkbeeldige cirkels aan 't he-
melgewelf, evenwijdig aan den equator. Ze behooren tot de zoo-
genaamde kleine cirkels en worden naar de polen toe kleiner in
omvang. De parallellen op aarde dienen ter bepaling van de
geografische breedte eener plaats op aarde; van daar den naam
breedtecirkels.
Geografische lengte van zekere plaats op aarde noemt men
den boog, dien de meridiaan dier plaats maakt met den nul- of
eersten meridiaan, gemeten op den equator. Zoo heeft b. v. Green-
wich 17° 39' 45" O. L. van Ferro en 2° 20' 15' W. L. van Parijs.
Men telde vroeger van den eersten of nulmeridiaan 360° naar 't
Oosten; nu pleegt men 180° naar 't Oosten en 180° naar't "Wes-
ten te tellen. Vroeger sprak men dus alleen van oostelijke lengte
thans van ooster- en westerlengte.
Geografische breedte van zekere plaats op aarde noemt men
den afstand van den parallel dier plaats van den equator, ge-
meten op den meridiaan der plaats. Men onderscheidt dus noor-
der- en zuiderbreedte, van 0° tot 90°.
De uitdrukking lengte en breedte voor uitbreiding van 't O. naar
'tW. en van 'tZ. naar 'tN., reeds door Aristoteles gebruikt, heeft
daarin zijn oorzaak, dat het toen bekende gedeelte van de aarde,
de Middellandsche Zee met omliggende landen, den vorm had
van een rechthoek ongeveer, en men zoodoende er toe kwam om
van lengte en breedte te spreken.
Op globes en kaarten zijn de lengte- en breedtecirkels gewoon-
lijk van 10 tot 10 graden getrokken.
Tegenvoeters noemt men de menschen, wier woonplaats met