Boekgegevens
Titel: Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Auteur: Berman, A.
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, 1891
2e uitg; Heruitgave van de eerste uitgaaf Haarlem, W.H.J. van Nooten, 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1653
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202571
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Handboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
punt van 't hemelgewelf, dat juist aan don tegenovergestelden
kant van 't zenith ligt.
Voor een bewoner aan de noordpool der aarde is de noord-
pool des hemels 't zenith, en de zuidpool des hemels 't nadir.
Geen 2 plaatsen hebben dus hetzelfde zenith; wel kan, wat
't zenith van den een is, 't nadir van den ander zijn, n.l. van
hen, die aan tegenovergestelde einden van een aard-middellijn
wonen.
Opmerkiny. Als we spreken van hemelgewelf, spreken wij, strikt
genomen, niet juist, daar de astronomie ons leert, dat de sterren,
die we zien schitteren aan dat gewelf, geenszins even ver van
dé aarde afstaan, zoodat de uitdrukking stergewelf alleen den
indruk weergeeft, dien de sterren op ons.maken.
Vertikaal is de loodlijn in een plaats op aarde opgericht op
den schijnbaren horizon; genoegzaam naar onder en boven ver-
lengd zijnde, komt die lijn uit in 't zenith en 't nadir van die
plaats. Aan de polen der aarde valt de vertikaal dus samen met
de hemelas; voor plaatsen onder den equator liggen de vertika-
len in 't vlak van den equator.
Topcirkels heeten de cirkels, die door 't zenith gaande, lood-
recht op den horizon staan.
Hoogtecirkels noemt men de cirkels, die men zich aan 't he-
melgewelf getrokken denkt en evenwijdig met den horizon loopen.
Hoogte noemt men den afstand van den horizon gemeten op
den topcirkel. Een punt in den horizon heeft dus een hoogte
van 0°; het zenith heeft een hoogte van 90°. De hoogte van een
hemellichaam boven den horizon wisselt dus af van 0° tot 90°.
't Oosten noemt men de streek aan den hemel, waar de zon
opkomt.
't Westen noemt men de streek aan den hemel, waar de zon
ondergaat.
't Zuiden noemt men de streek aan den hemel, waar de zon
op den middag van eiken dag haar hoogsten stand bereikt.