Boekgegevens
Titel: Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Auteur: Berman, A.
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, 1891
2e uitg; Heruitgave van de eerste uitgaaf Haarlem, W.H.J. van Nooten, 1886
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1653
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202571
Onderwerp: Astronomie: praktische astronomie: algemeen
Trefwoord: Kosmografie, Handboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der wiskundige aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
I-UJ 14 Jl
104
Tropisch, burgerlijk of zonnyaar noemt men den tijd, dien
de aarde noodig heeft om in betrekking tot de zon weer in den-
zelfden stand te komen, 't is dus de tijd, die verloopt tusschen
de twee opeenvolgende oogenblikken, waarop de zon in het lente-
punt is aangekomen, en dus de ecliptica geheel heeft doorloopen.
Het heeft een duur van 365 dg. 5« 48' 48" van den middelbaren
tijd of 365, 2422 dag.
Siderisch of sterrejaar — Het tropische jaar is korter dan de
tijdruimte, die verloopt tusschen de oogenbHkken, waarin de
aarde, van uit de zon gezien, tot dezelfde vaste ster terugkeert,
omdat het lentepunt geen vaste plaats aan het hemelgewelf be-
houdt, maar de zon elk jaar 50',221 tegemoet komt (praecessie
der nachteveningen). De zon keert dus vroeger terug tot het
lentepunt dan tot dezelfde vaste ster, en wel 20'23" eer; het
sterrejaar duurt dus 365 dg. 5» 48'48" + 20'23" = 365 dg. 6" 9'11".
(Dit is de gewone omloopstijd der aarde). Die 20'23" is juist
de tijd, dien de aarde behoeft om de 50", 221 te doorloopen, die
't lentepunt haar in een jaar tegemoet komt.
Voor de biu-gerlijke tijdrekening is het sterrejaar ongeschikt,
omdat het tijdstip van nachtevening telkens iets ^Toeger zou in-
vallen, en dus na verloop van zeker aantal jaren bijv. in Tebr.
reeds dag en nacht over de geheele aarde evenlang zouden zijn.
Staat nu op 22 iirt. de zon in 't lentepunt, dan zal in iets min-
der dan een sterrejaar weer dag en nacht op de geheele aarde
even lang zijn, omdat 't lentepunt de zon tegemoet komt. De zon
zal nu nog eenigen tijd behoeven om te komen tot het punt, Avaar
een jaar te voren 't lentepunt was, ze moet den weg nog door-
loopen, dien het lentepunt haar tegemoet is gekomen, eer ze tot
het uitgangspunt is weergekeerd.
Anomalistisch jaar noemt men den tijd, die er verloopt tus-
schen de twee oogenblikken, dat de aarde zich in haar perilie-
lium bevindt, dus de afstand van de zon tot de aarde het ge-
ringst is. Daar de lijn der apsiden zich beweegt in dezelfde