Boekgegevens
Titel: De kleine papierwerkers
Deel: I: Wat men van een stukje papier al maken kan : het vouwen
Auteur: Calcar, Elise van
Uitgave: Amsterdam: K.H. Schadd, 1866
[3e dr.?]
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 10062
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202482
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De kleine papierwerkers
Vorige scan Volgende scanScanned page
doen \erleeren — want het kind is dooi^ de letters bedorven. Zijn
stoeilust hondt hem nog gezond — maar waar heeft hij overigens
lust in? Geen enker speeltuig bevredigt hem meer — nooit ziet ge
hem zonder boekjes! — En wat leert hij er uit? —Niets degelijks,
niets bruikbaars — want op die massa van kinderlectuur, staan vijf
en twintig vodden tegenover één wezenlijk leerzaam kinderlijk kin-
derboek."
»Kom, wat doet dat er toe, hij? is nog zoo klein — als hij maar stil
issprak de moeder.
»Neen, dat ben ik geheel niet met u eens," antwoordde de heer
W., »lezen is eten — boeken zijn voedsel. — Is het niet onver-
schillig wat men eet — nog van meer belang is het, wat de geest
van een kind bezig houdt, als die geest zijn eerste indrukken opza-
melen moet. En het schijnt wel, dat naarmate de gedachten zich
rigten op eene denkbeeldige wereld , het oog zich afwendt van de
werkelijkheid liet romanlezen maakt de lezers dof en stomp voor
al wat hen omgeeft; en waarlijk ik meen de kiemen daarvan reeds in
onzen jongen te zien; want zijn liefste werk is praten en lezen ; en
daarbij wordt hij lui en waanwijs, terwijl hij onhandig is om een
knoop digt te maken. Ik wenschte dat ik maar iets wist te ver-
zinnen dat hem boeide en weer te4'ugbragt tot kinderlijke bedrij-
vigheid,"
»Misschien kan zuster Mina ons daar wel mede teregt helpen ; ik
ben blij dat zij hier eenige wieken zal blijven doorbrengen ; zij is al-
tijd zoo aardig met de kinderen bezig en kan alles van hen gedaan
krijgen."
»Voor één ding ben ik maar bang," hernam de heer W. — »zij
is, hoor ik, zoo met die dwaze Fröbelsche spelen ingenomen, en ik
heb daar een bepaalden weerzin van. Gij kunt haar gerust zeggen ,
dat zij mij daar nooit mede aan boord moet komen , want het is
eene groote zotternij , een mode, een manie en anders niet!"
»Wel manlief, ik wist niet dat gij met die Fröbelsche dingen zoo
bekend waart?"