Boekgegevens
Titel: De kleine papierwerkers
Deel: I: Wat men van een stukje papier al maken kan : het vouwen
Auteur: Calcar, Elise van
Uitgave: Amsterdam: K.H. Schadd, 1866
[3e dr.?]
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 10062
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202482
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De kleine papierwerkers
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
ïl viermaal te herhalen. Nog kan deze vouw op onderscheiden wij-
zen veranderd worden bijv. fig. 13 en vele anderen.
Enkele staaltjes van fraaije teekeningen willen wij nog geven fig.
14 en 15, welke op het oog zonder hulplijnen moeten gelegd wor-
den — fig. 10, 17, 18, 19, 20.
Nog moet ik hier de opmerking maken dat er uit fig. 5 PI IV
een zeer vermakelijk beest te voor*schijn komt, als men het figuur digt
slaat midden door, zoodat de uiteinden elkander raken. Neemt men
die uiteinden in de handen en beweegt men die heen en weder, dan
opent de haai zijn wijden mond. De haai wordt echter aanmerkelijk
steviger als men deze vouw niet op oen enkel maar op een dubbel
blad toepast. Eerst vouwe men dus PI. I fig. 14 en dit dubbele
vierkant beschouwe men als vouwblad waarop nu fig. 5 PI. IV wordt
aangebragt. Opengeslagen is de teekening der vouwen ook zeer fraai.
derde reeks.
Maar niet altijd bedienen wij ons van het vierkant. Het is ook
goed dat men zich later van een anderen vorm leert bedienen.
;Men beproeve nu eens de krachten aan blaadjes van de gedaante
die PI. V. en VI vertoonen.
Begint wederom bij het allereenvoudigste en klimt geleidelijk op.
Eerst komt dus natuurlijk de kruislijn fig. 1 , daarna de schuine
fig. 2, vervolgens de vereeniging dezer beiden fig. 3. Om tot de
teekening van fig. 5 te komen moet fig. 4 dienen , waaruit fig. 6 ,7
en 8 zijn afgeleid.
Hoe zult gij het aanleggen om fig, 9 en 10 te verkrijgen ? of om
fig. 11, 12, 13 voort te brengen?
Venolgens beproeft gij uwe krachten aan fig. 14, 15 en 16, —