Boekgegevens
Titel: De kleine papierwerkers
Deel: I: Wat men van een stukje papier al maken kan : het vouwen
Auteur: Calcar, Elise van
Uitgave: Amsterdam: K.H. Schadd, 1866
[3e dr.?]
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 10062
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202482
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De kleine papierwerkers
Vorige scan Volgende scanScanned page
41
LEERVORME N.
tweede reeks.
Het ZOU ondoenlijk zijn alle vouwsels op te sommen of te omschrij-
ven die uit een blad papier gemaakt kunnen worden. — Elk beoefe-
naar zal dat getal met eigen vindingen vermeerderen—ja, wij zouden
durven zeggen , dat zij die daar niet toe komen , al heel weinig nut
uit deze oefening hebben getrokken en zich daarover behooren te scha-
men — want het is bijna onmogelijk om niet gedurig in deze rijke
verscheidenheid van vormen, nieuwe ontdekkingen te doen.
Het voortbrengen van allerlei huiselijke af beeldingen kan gevoege-
lijk door kinderen van boven de vijf jaar afgewisseld worden door
zekere opgaven om door vouwen in het pa])ier allerlei nette teekenin-
gen daar te stellen; vraag bijv. — Zoudt gij in dit blaadje, zestien
vierkantjes kunnen vouwen? fig. 5 PI. ÏL Hoe zult gij moeten doen
als wij de vierkantjes eens alle schuins wilden zien ? fig. 6. Hoe zoudt
gij het aanleggen om in elk der viei-kantjes van fig. 5 twee schuine
lijntjes te brengen? fig. 8. Zoudt gij kans zien in elk der 16 vierkant-
jes een kruisje aan te brengen? fig. 7. — Voor deze oefeningen moe-
ten alle lijnen op dezelfde zijde van het blad aangebragt en het blad
dus nooit gekeerd worden.
Kunt ge het blad alleen met streepen bedekken? Fig. 10 PI. II.
Deze vouw is zeer nuttig om op gelijke breedte te leeren vouwen
en bereidt het kind voor op het vouwen van lampenkappen, chinee-
sche lantarens en die soort van kunstletters, die PI. VIH vertoonen.
Om het oog juistheid en de hand vaardigheid te geven, bieden wij
nog de schoone lijnen aan van de volgende vouwen, PI. II, fig.
11—20.