Boekgegevens
Titel: De kleine papierwerkers
Deel: I: Wat men van een stukje papier al maken kan : het vouwen
Auteur: Calcar, Elise van
Uitgave: Amsterdam: K.H. Schadd, 1866
[3e dr.?]
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 10062
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202482
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De kleine papierwerkers
Vorige scan Volgende scanScanned page
39
niet menigmaal het zelfde voorwerp te maken. — Hebben zij er dus
schik in om eene menigte sprinkhanen, ballons of iets anders te ma-
ken, laat hen een tijd lang begaan, maar geeft acht of er ook soms
traagheid onder loopt om zich geene nieuwe vormen eigen te maken.
Van den sigarenkoker, PI. Hl, fig. 8, laat zich ook zeer gemak-
kelijk het hoekkastje maken, fig. 20; men maakt van de twee onder-
einden die stevig in elkander worden gestoken het vloertje, terwijl de
twee boveneinden het plankje geven — en om het hoofdje te vormen
moet men den hoek, die naar binnen geslagen is, uithalen en op-
zetten.
Van het hoekkastje moet men de rustbank, fig. 21, maken, doch
dan moet het kastje voor een groot deel uitgehaald en omgekeerd
woi'den. Men moet vooral stevigheid aan het bankje geven door de
lioeken goed te bevestigen. Ook het bakje, fig. 22, kan sterk genoeg
gevouwen worden, als men maar tracht om de kanten door inslagen
digt te maken.
Een andere reeks figuren kan nog vervaardigd worden uit de vouw
van PI. I, fig. 14, Dit dubbele vierkant wordt nu aangemerkt als een
vouwblad, waarop men de vouw van PI. H, fig. 1, 2, 3, en 4 toe-
past, om er dergelijke schuitjes als van PI. III, fig. 7 te maken. Doch
deze schuitjes zijn natuurlijk kleiner en van dubbel papier. Uit deze
schuitjes wordt nu het asclibakje, fig. 23, gemaakt. Daar in deze
schuitjes nu twee hoekpunten van het vouwblad zijn verborgen, haalt
men die er uit te voorschijn, zoodat op de zijwanden de schuitjes
met een grooten driehoek verlengd en in een vijfhoek veranderd wor-
den. Legt het schuitje regt voor u en slaat den bovensten hoek en
de twee zijhoeken tot elkander toe, zoodat uw vijfhoek een vierkant
wordt — vouwt het vierkant op de helft toe — de bovenhelft op de
onderhelft aanbrengende. — Nu heeft de andere zij van uw vouwsel
nog hare vijfhoeken behouden — keeit het om en vouwt dien kant
op dezelfde wijze als de andere helft digt. Gij krijgt nu een zakje
met twee 'taschjes, dat men het messenbakje noemt, en waaruit het
aschbakje, fig. 23, PI. III komt. Door het neerdrukken en dubbel-