Boekgegevens
Titel: De kleine papierwerkers
Deel: I: Wat men van een stukje papier al maken kan : het vouwen
Auteur: Calcar, Elise van
Uitgave: Amsterdam: K.H. Schadd, 1866
[3e dr.?]
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 10062
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202482
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De kleine papierwerkers
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
Laat ons de omgevouwen punten opslaan en het blad eens bezien.
Welk verschil ontdekt gij tusschen de bovenhelft en de onderhelft
van uw blad ?
De onderhelft bestaat uit twee vierkanten — de bovenhelft bestaat
uit vier driehoeken.
ELFDE OEFENING.
Fig. 13, 14.
De vouwen worden allen gelegd tot fig. 12 toe.
Wij zullen heden den onderkant van ons blad niet met rust laten,
maar wij gaan een linker hoek opheffen en omvouwen. Fig. 13.
Hoeveel hoeken hebben wij omgeslagen? Welk een aardig figuur
krijgen wij daar. — Hoe zoudt gij het noemen?
Telt de hoeken — telt de zijden. Hoe heet een figuur dat vijf hoe-
ken en vijf zijden heeft?
De vijfhoek ziet er geheel anders uit dan de beide vorige. Laat ons
er eens drie bij elkander leggen. Fig. 11 , 12, 13.
Hoeveel loodlijnen hebt gij?
Hoeveel waterpaslijnen zijn er?
Hoeveel schuine lijnen?
Welke lijnen zijn de kortste?
Welke de langste?
Laat ons nu ook den laatsten hoek opnemen, fig. 14, dan zijn alle
uithoeken vereenigd. Men moet vooral zorgen dat het vouwblad niet
onder het werk van stand verandert.
Heeft ons blad nu geen hoekpunten meer? Er zijn nieuwe ontstaan.
Wijst ze aan.
Gij hebt uw blad nog eens in dien stand voor u gehad. — Fig. 2.
Weet gij nog hoe wij dien toen gekregen hadden ? — Wij hadden