Boekgegevens
Titel: De kleine papierwerkers
Deel: I: Wat men van een stukje papier al maken kan : het vouwen
Auteur: Calcar, Elise van
Uitgave: Amsterdam: K.H. Schadd, 1866
[3e dr.?]
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 10062
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202482
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De kleine papierwerkers
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
ACHTSTE OEFENING.
de ster. Fig. 10.
Laat ons nu eens al de vouwen in ons blad leggen die wij geleerd
hebben.
Wat was de eerste ?
De waterpaslijn. — Men maakt die.
Wat was de tweede ?
De loodlijn. — Men maakt die.
Wat was de derde ?
De schuine regts. — Men maakt die.
Wat was de vierde ?
De schuine links. — Men maakt die.
Bij het leggen dezer vier vouwen kan voor deze eerste oefening
altijd hetzelfde vlak boven blijven — doch als het blad moet dienen
om niet enkel leervormen als deze, maar ook de levensvormen van
PI. Hl te maken , dan moet het blad gekeerd worden , eer de dia-
gonalen of schuine lijnen gelegd worden.
Bij elke vouw laten wij het kind opmerken in hoeveel deelen het
blad nu gedeeld is, en of er driehoeken of vierkanten door ont-
staan zijn.
Wij zien thans een fraaije ster voor ons, met lijnen op het papier
geteekend , die er zonder pen of potlood opgekomen zijn. Fig. 10.
Telt eens hoeveel vierkanten wij hebben ?
Zij zijn alle doorgesneden en tot driehoeken geworden.
Hoeveel driehoeken ziet gij nu ?
Hoeveel regte hoeken ? Hoeveel scherpe hoeken ?
Waar liggen alle scherpe hoeken?
Hoeveel liggen er buitenwaarts ?
Hoeveel liggen er in het midden ?
Waar liggen de regte hoeken?