Boekgegevens
Titel: De kleine papierwerkers
Deel: I: Wat men van een stukje papier al maken kan : het vouwen
Auteur: Calcar, Elise van
Uitgave: Amsterdam: K.H. Schadd, 1866
[3e dr.?]
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 10062
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202482
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De kleine papierwerkers
Vorige scan Volgende scanScanned page
28
ZEVENDE OEFENING.
tweede diagokaal. Fig. 8.
Wijst onder aan uw blad de linker hoekpunt en breng haar op de
regter bovenhoekpunt. Legt nu een zuivere vouw. Fig. 8. Slaat uw
vouwblad open en laat ons zien wat of deze nieuwe vouw heeft te
weeg gebragt. Fig. 9.
In hoeveel deelen is uw blad gedeeld?
In vier deelen. Fig. 9.
Hoe noemt gij deze deelen? Vierdedeelen.
Welken naam hebben deze deelen?
Het zijn driehoeken.
Zijn al de hoeken aan elkander gelijk?
Wijst mij de regte hoeken.
Wijst de scherpe hoeken
Alle scherpe hoeken liggen naar buiten — waar liggen de regte
hoeken?
Allen naar binnen — juist in het midden.
Hoe groot is elk dezer driehoeken? Elke driehoek is een vierde
van het blad.
Weet gij nog welke gedaante het vierde deel gehad heeft, toen wij
het blad door de loodlijn en waterpaslijn gedeeld hadden?
Het vierde w-as toen een klein vierkant — nu is het een driehoek.
Wat is grooter, dat vierkant of deze driehoek ?
Drukt het middenpunt nu omhoog en laat de vier zijden zakken.
Zegt mij waarop gelijkt uw blad nu? Op een vierkant dak, op eene
vierzijdige piramide. — Als gij in den tuin speelt, moet gij eens be-
proeven, of gij aan een hoop zand dezen vorm zoudt kunnen geven.