Boekgegevens
Titel: De kleine papierwerkers
Deel: I: Wat men van een stukje papier al maken kan : het vouwen
Auteur: Calcar, Elise van
Uitgave: Amsterdam: K.H. Schadd, 1866
[3e dr.?]
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 10062
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202482
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De kleine papierwerkers
Vorige scan Volgende scanScanned page
27
Weet gij hoe die heet?
Hoeveel hoeken ziet gij er aan? Drie.
Hoeveel zijden telt gij? Ook drie.
Een vorm, die drie hoeken en drie zijden vertoont noemt men een
driehoek,
In welke rigting loopt onze schuine lijn?
Let nu eens goed op de hoeken van uwen driehoek. Zijn die allen
even groot als de hoeken van ons vierkant?
Een is er onveranderd gebleven — de regterhoek bovenaan.
Wat is er met de anderen gebeurd ?
Zij zijn net in twee helften doorgesneden.
Daar wij uit één regten hoek er twee gemaakt hebben, moeten die
twee ook de helft kleiner zijn dan de regte. Ieder hoek, die kleiner
is dan een regte hoek, is een scherpe hoek.
Hoe heeten nu deze hoeken ?
Scherpe hoeken.
Waarom? — Hoeveel scherpe hoeken hebben wij uit een regten
hoek gemaakt?
Wij hebben vroeger ons blad in twee gelijke deelen verdeeld. —
Wij hebben dat nu ook gedaan, maar de halven zien er geheel an-
ders uit.
Vouwt uw blad maar open. Bezien wij het eens aandachtig.
Wat is er nu wel aan te zien? Wij vinden een vierkant verdeeld
in twee driehoeken. Wij zien regte hoeken en scherpe hoeken —
loodlijnen, waterpaslijnen en een schuine lijn.
Wijst mij dit alles afzonderlijk aan.
Hoeveel regte hoeken bobben wij?
Hoeveel scherpe hoeken? Hoeveel regte hoeken hebben wij tot scherpe
gemaakt?
Hoeveel kleiner zijn deze driehoeken dan het vierkant?
Noemt eenige dingen op die driehoekig zijn.