Boekgegevens
Titel: De kleine papierwerkers
Deel: I: Wat men van een stukje papier al maken kan : het vouwen
Auteur: Calcar, Elise van
Uitgave: Amsterdam: K.H. Schadd, 1866
[3e dr.?]
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 10062
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202482
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De kleine papierwerkers
Vorige scan Volgende scanScanned page
26
Hoeveel deelen hebt gij nu ?
Vier deelen of vier vierdeparten.
Zij liggen op elkander. — Hoe groot is dit vierkant ?
Het is een vierde van het geheel.
Hoeveel vierden bevat het geheel ?
Het geheel bevat vier vierden.
Als ik een vierde wegneem, hoeveel vierden behoud ik nog ?
Als ik twee vierden wegneem ? Als ik drie vierden wegneem ?
Ontvouwt het kleine vierkant weder tot twee vierkanten.
Nu tot vier vierkanten — welke vierkanten liggen naast elkan-
der, welke vierkanten liggen boven elkander, welke liggen schuins
tegenover elkander? Waarmede raken zij elkander aan?
Vervolgens vergelijke men de lengte der lijnen van het kleine en
groote vierkant.
ZESDE OEFENING.
de diagonaal. Fig. 7.
Voor de eerste oefening met den diagonaal moet men een nieuw blad
nemen, dat niet door loodlijn en waterpaslijn gedeeld is.
Wij hebben den onderkant van ons blad wel eens met den bovenkant
gemeten — en hoe deden wij nog meer?
Wij hebben ook de linkerzijde met de regterzijde gemeten. Nu
zullen wij eens den onderkant met den linkerkant nieten — wijst mij
regts den benedenhoek en brengt dien op den linker bovenhoek fig. 7,
en legt eene vouw.
Wat is er nu uit ons vierkant geworden?
Wij hebben een geheel nieuwen vorm gekregen.