Boekgegevens
Titel: De kleine papierwerkers
Deel: I: Wat men van een stukje papier al maken kan : het vouwen
Auteur: Calcar, Elise van
Uitgave: Amsterdam: K.H. Schadd, 1866
[3e dr.?]
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 10062
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202482
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De kleine papierwerkers
Vorige scan Volgende scanScanned page
24
VIERDE OEFENING.
de waterpaslijn en de loodlijn. Fig. 3 611 4.
Voor de oefening van de waterpaslijn en de loodlijn moet men een
stuk papier nemen, waarin geen diagonaal gevouwen is. Nu moet gij
eens beproeven , of de onderste kant van het blad even breed is als
de bovenste — neemt de onderste hoekpunten met beide handen en
legt ze op de bovenste — houdt met de linkerhand het blad vast en
legt met de regterhand eene vouw stevig en net.
In hoeveel deelen. is uw blad gedeeld?
In twee deelen.
Hoe noemt gij die deelen?
Halven.
Zooals het blad nu dubbel voor u ligt, ziet het er geheel anders
uit — wat is er aan veranderd ?
De zijden zijn de helft kleiner geworden — de boven- en onderlijn
is even groot gebleven.
Wat is nu grooter, de breedte of de lengte van dit blad ?
Slaat het blad open en laat ons eens zien hoeveel regte hoeken wij
nu tellen.
Hoe heet de lijn die uw vierkant heeft doorsneden ?
Een waterpaslijn.
Hoeveel waterpaslijnen heeft ons blad ?
Drie — een bovenste , een middelste , een onderste. —
Lijnen , die overal even wijd van elkander blijven, noemt men
evenwijdig. —
Zijn er ook nog andere evenwijdige lijnen aan uw blad ?
De loodlijnen zijn ook evenwijdig.
Waar heeft deze lijn uw blad doorsneden ?
Juist op het midden.