Boekgegevens
Titel: De kleine papierwerkers
Deel: I: Wat men van een stukje papier al maken kan : het vouwen
Auteur: Calcar, Elise van
Uitgave: Amsterdam: K.H. Schadd, 1866
[3e dr.?]
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 10062
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202482
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De kleine papierwerkers
Vorige scan Volgende scanScanned page
23
flg. i , bij het eene blad komt één hoekpunt boven , bij het andere
zijn twee hoekpunten boven.
Zoo worden alle zijden vergeleken.
Zijn de bladen wel even groot ?
Mij dunkt het eene blad is veel langer en ook veel breeder — legt
het op het eerste blad. Er schieten stukken over — maar zie , ook
van het onderste blad schieten stukken over — legt ze in dezelfde rig-
ting — en zij zijn gelijk.
Legt nu weder een hoek onder en een boven. — AVijst mij nu de
loodlijnen. De loodlijnen zijn nu geen loodlijnen meer — zij zijn wel
regte lijnen , maar regte lijnen zijn nog geen loodlijnen.
Waar zijn onze waterpaslijnen ? ze zijn ook veranderd — en geen
waterpaslijnen meer.
Het zijn nu allen schuine lijnen geworden. — Als eene regte lijn
geen waterpaslijn en geen loodlijn is, dan is het een schuine lijn.
Wijst de beide schuine lijnen van boven en onder — ter regter en
ter linkerzijde.
Gij zegt mij dat gij twee kanten boven en twee kanten onder hebt —
hoeveel is dat te zamen ?
A^ier.
En dan zijn er nog twee kanten links en twee kanten regts , dat is
weêr vier — mij dunkt dan moeten er acht kanten aan uw blad zijn ?
Neen, slechts vier kanten.
Hoe komt dat ?
Zij vallen twee aan twee zamen — de eene bovenkant is ook de
linker — de andere de regteikant — enz.