Boekgegevens
Titel: De kleine papierwerkers
Deel: I: Wat men van een stukje papier al maken kan : het vouwen
Auteur: Calcar, Elise van
Uitgave: Amsterdam: K.H. Schadd, 1866
[3e dr.?]
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 10062
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202482
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De kleine papierwerkers
Vorige scan Volgende scanScanned page
20
veel hoeken heeft de bovenkant ? — Een regter en een linkerhoek. —
Hoeveel hoeken heeft de onderkant? — Hoeveel hoeken heeft de reg-
terzijde? Hoeveel hoeken heeft de linkerzijde? — Hoe zoudt gij die
hoeken onderscheiden om mij te beduiden welke gij meent ? — De een
is boven aan het blad : de ander is onder aan het blad. — Wijst nu
eens met de twee wijsvingers gelijk : de twee onderste hoeken — de
twee bovenste hoeken — de twee linker hoeken, de twee regter
hoeken. — Maar hoeveel hoeken ziet gij dan toch wel aan het
blaadje ? Straks telden wij er vier en nu heb ik er tweemaal vier —
hoe komt dat? Ik zal mijn blad met een paar spelden op het boi'd
vast steken, dan kunt gij het allen goed zien. — Ziet gij nu het ge-
heele blad ? Hoe ziet de onderzijde er uit ? Dat weet gij niet. —
Gij ziet het maar van eene zijde te gelijk — keert dan al de blaadjes
eens om ; maar zorgt dat ze weer regt voor u komen te liggen ! —
Wat hebben wij gedaan? — Wij hebben de onderste zijde boven ge-
keerd. Ziet nu eens of ik ook de onderzijde boven breng ? Men draait
het blad zonder het om te wenden. — Ik doe geheel iets anders en
toch noemden wij dezelfde woorden. AVant wij bragten ook nu het
onderste boven. Ik zal u iets zeggen, dat gij goed onthouden moet:
als ik in het vervolg van een der \-ier kanten spreek, zal ik ook al-
tijd het woord kant, of ook wel zijde gebruiken, doch als ik van
de onder- of bovenzijde van het blad spreek, zal ik die het bovenvlak
en ondenlak noemen. Neemt uw blad nu bij den linkerkant op en
wijst mij met de regterhand het bovenvlak — het ondervlak. Keei't
het ondervlak naar boven — draait den bovenkant naar onder, enz.
TWEEDE OEFENING.
Gij hebt mij gezegd, dat er vier kanten en vier hoeken aan uw
blad zijn — wijst mij de zijkanten nog eens — gij moet met de
beide wijsvingers den geheelen kant langs wijzen, van boven naar