Boekgegevens
Titel: De kleine papierwerkers
Deel: I: Wat men van een stukje papier al maken kan : het vouwen
Auteur: Calcar, Elise van
Uitgave: Amsterdam: K.H. Schadd, 1866
[3e dr.?]
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 10062
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202482
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De kleine papierwerkers
Vorige scan Volgende scanScanned page
»Bekend? — dat juist niet, maar ik wil er niets mede te maken
hebben, omdat het al te gek is — het is mij de moeite niet waard!"
»Maar wat is het dan?"
»Wat het is? — wel het zijn zoogenaamde spelletjes en kunstjes,
geloof ik, maar razend ongemakkelijk — een groot mensch kan het
op zijn best doen , en dat heet dan de kinderen aangenaam bezig
houden!...."
»Maar wat moeten de kinderen dan uitvoeren ? — Is het zoo iets
als gymnastie?"
»Ja , dat zeggen ze , gymnastie van de hand vooral — maar als
gij die dingen zaagt, die men voorgeeft door kinderen van drie tot
zes jaren gemaakt te zijn, dan zoudt ge zelf zoo goed als ik overtuigd
worden, hoe onmogelijk dat is. Ik heb dan ook gezegd: ik heb zeven
kinderen , die goed ontwikkeld en vlug zijn — maar geen van de
onzen zou geduld of geschiktheid hebben om die dingen te maken."
»Waar waren die dingen dan van gemaakt?"
»W'el van houten blokjes, van spaantjes , van stokjes, van papier
en stroo en band en weet ik al wat. — Och, gij zult er genoeg van
hooren , als Mina beneden komt — meer dan mij lief is ; want dit
zeg ik u — ik wil niet, dat zij die kunsten met onze kinderen be-
proeft — zij zitten lang genoeg in school en dan thuis ook nog inge-
spannen , dat gaat niet, ik ben voor eene natuurlijke opvoeding."
Juist trad tante Mina binnen en ving die laatste woorden nog op.
»Wel, dat doet me pleizierzeide zij ghmlagchend — »is mijn
broeder ook al een Fröbeliaan geworden ?"
»Zie, heb ik het niet gezegd? — ze is er vol van," riep de heer
W. — »Hoor eens, Mina, dweep gij zooveel gij wilt, maar als ge
later zelf een half dozijntje kleintjes om u heen ziet, dan spreek ik
u nader — en dan zal ik u eens vragen of gij nog Fröbelsch gezind
zijt. — Tot zoolang verzoek ik u , mij met die gekke methode niet
te kwellen ; ik heb er een antipathie tegen."
»Gij spreekt als een oud mannetje uit de vorige eeuw% die van het
hoofd tot de voeten in vooroordeelen zit ingebakerd," hernam de zus-