Boekgegevens
Titel: Zondags-school, of Uitlegging van de evangelien op alle zondagen van het geheele jaar: ten gebruike van Roomsch-Katholijken
Auteur: Jacobs, H.
Uitgave: Venlo: Weduwe H. Bontamps, 1830
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1351
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202473
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: onderzoek en interpretatie van het Nieuwe Testament
Trefwoord: Evangeliën, Kerkelijk jaar
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zondags-school, of Uitlegging van de evangelien op alle zondagen van het geheele jaar: ten gebruike van Roomsch-Katholijken
Vorige scan Volgende scanScanned page
66 Ei>angelie op den pierden zondag
(( in ? Hij antwoordde hun : Dit heeft
. « een vijandig mensch gedaan. De die:*
<( naars zeiden hem : IVilt gij dat wij
« het bijeen gaan plulhen ? Hij ant-
iK woordde : neen ; opdat gij mogelijh
« het onkruid uitplukkende , niet te
. « gelijk met hetzelve de tarwe uittrekt,
i, JLaat het beide wassen tot den oogst z
« en ten tijde van den oogst zal ik den
« maaijers zeggen : plukt eerst het
« onkruid bijeen, en bindt het in
bondels om te verbranden maar
« vergadert de tarwe in mijne schure.^^
Hieraan gaf de Heere Jesus, de volgende
uitlegging : De oogsttijd is oj beteekent
de voleinding der wereld ^ en de maai-
jers zijn de Engelen, Gelijk dan het
onkruid vergaderd en in het vuur vt^r-
brand wordt : alzoo zal het gaan indé
voleinding der wereld. De Zoon des
menschen zal zijne Engelen zenden , en
die zullen alle verergernissen , die door
hun kwade leven ;of scliadeiijke en valsche
Jeeringen de menschen geergerd hebben , en
degenen, die ongeregtigheid jilegen ,
uit zijn rijk bijeen vergaderen. En zij
zullen die werpen in den oven des vuurs,
daar geschrei en knersing der tanden
^ijn zal.
Leert hieruit , Christenen , hoe groot de
langmoedighcid Gods is ; hoe Hij dikwijls
de zondaren nog duldt en niet aanstonds
straft5 leert hieruit uwe natuui-genooten ver-
dragen; vloek hen niet; waïit gij weet niet,
yssüiQ ibaraihvUli^Ueid üod hun üiisschiGn nog