Boekgegevens
Titel: Zondags-school, of Uitlegging van de evangelien op alle zondagen van het geheele jaar: ten gebruike van Roomsch-Katholijken
Auteur: Jacobs, H.
Uitgave: Venlo: Weduwe H. Bontamps, 1830
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1351
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202473
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: onderzoek en interpretatie van het Nieuwe Testament
Trefwoord: Evangeliën, Kerkelijk jaar
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zondags-school, of Uitlegging van de evangelien op alle zondagen van het geheele jaar: ten gebruike van Roomsch-Katholijken
Vorige scan Volgende scanScanned page
zondag na Pinksteren* 2fS
Ik een zal moeten bekennen , dat deze
ebt zeer onbarmhartig was ; daar hij om
ifderd tienlingen of dertig gulden zijnen me-
lllnecht liet vast zetten. Deze kwamen
\ niet in aanmerking bij de som, welke
l was kwijtgescholden. Zoo gaat het nog
! menschen. Zij vragen van God ver-
5jlng voor het kwaad , dat zij tegen Hem
reven hebben, en dat dikwijls zeergroot
doch hunne naaste , hunnen broe-
s, willen zij eene kleine fout niet verge-
, of vergeven zq die, dan is het slechts
halve. Nu, zeggen zij , pas maar op ,
gij het niet weer doet. Neen , niet al-
; maar het moet geschieden van gan-
r harte , en hoe dikwijls de beleediging
mogte gebeurd zqn. Geene wraak met
ffljlerwraak vergelden , en die ons scheldt
men niet wederschelden. Mij\, zegt God,
nt de wraah toe, ik zal het vergel-'
e Zaligmaker zegt zelf in het Evange-
: ^00 zal mijn hemelsche Vader ooh
t u doen ^ zoo gij ^ een ieder zijnen
h eder niet van harte vergeeft. Dit is
djdelijk genoeg , dan dat dit nog nadei'e
klaring zoude behoeven. Voegen wij er
; bq , dat Jesus ons ook hierin het ult-
ntendste vooi'beeld heeft nagelaten, toen
onder de gruwelijkste mishandelingen nog
r zijne moordenaren bad : Vader ,
geef het hun ; want zij weten niet
t zij doen. Welaan dan, dat er geene
wijdering meer onder ons besta! Wq zijn Ie-
Deutr. XXXII. : 35.
Ö 3