Boekgegevens
Titel: Zondags-school, of Uitlegging van de evangelien op alle zondagen van het geheele jaar: ten gebruike van Roomsch-Katholijken
Auteur: Jacobs, H.
Uitgave: Venlo: Weduwe H. Bontamps, 1830
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1351
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202473
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: onderzoek en interpretatie van het Nieuwe Testament
Trefwoord: Evangeliën, Kerkelijk jaar
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zondags-school, of Uitlegging van de evangelien op alle zondagen van het geheele jaar: ten gebruike van Roomsch-Katholijken
Vorige scan Volgende scanScanned page
i8 Evangelie op den derden zondag
om de menschen op te wekken tot het ont-
vangen van den beloofden Messias ; ten ein-
de zij zijne leer en prediking met vrucht
aannemen. Daarom riep hij tot het volk :
doet boetvaardigheid , want het rijk der
hemelen , ( de heiligmakende leer van den
Messias ) is nabij gekomen.
Zoo leerde deze heilige man niet alleen
aan anderen boete doen , maar hij zelf was
daarin een voorganger : hij leefde steeds
godvruchtig, droeg een kleed van kemels-
haar op zijn ligchaam , en gordde zich met
eenen lederen riem ; hij sliep onder den bloo-
ten hemel, at geene gekookte spijzen en
dronk slechts water. Zijn prediken en zijn
doopen werd deswege geroemd ; zoodat al-
lerhande soort van menschen uit het omlig-
gende land tot hem kwamen , zich lieten
doopen en hunne zonden beleden.
De Farizeërs en Sadduceërs kwamen ook ,
om van hem gedoopt te worden, maar tot
dezen zeide bij : gij slangen gebroedsel,
zoo noemde bij hen, wegens hunne valsche
gemoedsgesteldheid, gij slangen gebroed"
sei, wie heeft u gewaarschouwd te vlug-
ten voor de toekomende gramschap ^Aoox
het aannemen van mijnen doop ? (*) Hij ver-
maande ieder in het bijzonder ; tot het
volk dat hem vraagde : wat zullen wij
doen? antwoordde hij : die twee kleede-'
ren heeft, geve er een aan dien er geen
heeft : wie spijze heeft, doe insgelijks.
Tot de tollenaars, die hem vraagden;
ter,wat moeten wij rfoe«? zeide hij : eischt
l*) aUllh. III. : 7,