Boekgegevens
Titel: Zondags-school, of Uitlegging van de evangelien op alle zondagen van het geheele jaar: ten gebruike van Roomsch-Katholijken
Auteur: Jacobs, H.
Uitgave: Venlo: Weduwe H. Bontamps, 1830
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1351
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202473
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: onderzoek en interpretatie van het Nieuwe Testament
Trefwoord: Evangeliën, Kerkelijk jaar
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zondags-school, of Uitlegging van de evangelien op alle zondagen van het geheele jaar: ten gebruike van Roomsch-Katholijken
Vorige scan Volgende scanScanned page
tgo Evangelie op den eersten
Hommen zijn voor Gorls troon , en wa
door hq tot de kennis van den ecnigen
ren God gckonieji is. Die dan genade
barmhartigheid van den Heere begeert, m
zicii ook barmhartig jegens zijne medeme
sehen betoonen. Zoo heeft de Heere oi
Zaligheid in onze eigene handen gestelei
Want met de mate , waarmede wij meteiB
zal ons weder uit^^emeten worden, Helaa|
een heidensch Keizer maakt vele Christ
nen beschaamd : TiTÜS namelijk, liet noo
eenen dag voorbijgaan , waarop hij niet c
eene of andere weldaad bewezen had ; e
op zekeren dag, dat hij daartoe niet de ge
legenheid had , zeide hq aan zijne vrienden
I deze dag is voor mij verloren.
I De barmhartigen zullen ontvangen een
opgehoopte en wel toegedrukte maat ; da
is een groot , een overvloedig loon, Maa
iemand mögt zeggen : ik heb de magt nie
om te geven ; wat zal ik dan doen ? VVcJ
een goede wil, bij een troosielijk wooi
i kan ons ook in de oogen van God welg
Vallig maken en menig leed verzachten. Go
ziet de gifte niet aan , maar het hart waar-
uit zq voortkomt, gelijk blijkt in de arme
i weduwe , die van haren nooddruft gaf, daar
ij vele rijke lieden slechts vau hunnen over-
vloed gaven. Niet één druppel waters, uil
barmhartigheid aan onzen evenmensch toe-
gediend , zal God onbeloond laten. Laat
ons de aardsche dingen toch niet naja-
gen ; zij zqn immers alle vergankelijk. VVaar-^
om zouden wij ons niet eene haudvol-
gouds, met een klein stipje van de Aar-',
vergenoegden , daar geheele Koningrijken