Boekgegevens
Titel: Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Auteur: Bosman, J.M.H.; Charante, N.A. van; Duijs, P.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1871 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9991
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202459
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kinderverhalen (teksten), Kindergedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Vorige scan Volgende scanScanned page
% H'ï'
beter aan toe Jan vroeger, dat wj voor de eerste weken haar
onderhoud betalen konde.
Eens op een avond, toen de zon was ondergegaan, zat in
een dorp , eeniga mijlen van de residentie, eene boerenfamilie
voor de deur van haar hui^e.
De afond was zoo schoon, als in September zelden het geval
is. Op den achtergrond, dicht bij ie deur, zat een jongeman.
Hij was de zoon des huizes, en eerst onlangs, wegens een
stijven arm, door een geweerkogel veroorzaakt, uit de krijgs-
dienst ontslagen. De ouders, broeders en zusters, de dorps-
predikant en eenige huurlieden zaten om hem heen. Nadat de
vader de pijp gestopt en aangestoken en de moeder haar naai -
werk ter hand genomen had , zeide deze : ;,Nu , Frans! vertel
ons nog eens bij welke gelegenheid gij het schot in den arm
hebt bekomen." — Frans verhaalde hoe hij bij het vernagelen
van een kanon een eind was achtergebleven, door Fransche
soldaten was overvallen, van een hunner een schot in den arm
ontvangen had, en slechts zijn leven had kunnen redden door
zich ter aarde te werpen en als dood te houden. Hij was bijna
met zijn verhaal ten einde, toen de huishond plotseling hevig
begon te blaffen, en van achter het houtgewas eene meisjes-
gestalte te voorschijn trad. Nieuwsgierig staarden allen haar
aan. De vader vroeg haar vriendelijk van waar zij kwam en
waar zij henen wilde. — ,/Ik smeek u om een nachtverblijf,"
zeide de aangekomene, in wien wij Jeannette herkennen.—
Nadat zij uitgenoodigd was plaats te nemen, snelde de moeder
heen, om haar wat warme spijs te bereiden. Ook de zoon
had Jeannette eene geruime poos aangestaard en wreef toen
nadenkend het voorhoofd. — „Nu Frans!" zeide zijn vader tot
hem , „gij slaat daar alsof gij een plan van een veldslag moest
ontwerpen." — Frans bleef nog roerloos staan zonder te antwoor-
den. Eindelijk tru! hij haastig op Jeannette toe, ea hare hand
grijpende, vroeg hij: „Niet waar, gij zijt dat jonge meisje,