Boekgegevens
Titel: Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Auteur: Bosman, J.M.H.; Charante, N.A. van; Duijs, P.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1871 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9991
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202459
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kinderverhalen (teksten), Kindergedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Vorige scan Volgende scanScanned page
% H'ï'
aankwam, was de slag reeds begonnen, en men wilde mij niet
binnen laten, maar mijn naam verschafte mij ingang. Ik vroeg
overal naar mijn man , maar niemand konde mij zeggen waar
hij was. Slechts vernam ik met blijdschap dat hij welvarend
was. Door de wending van etn regiment waren wij spoedig
in de nabijheid van het strijdgewoel gekomen. De kogels vlo-
gen om ons heen , en sloegen door de huif van onzen wagen ;
de trommen roffelden, de trompetten schetterden, wolken van
rook en stof omhulden ons. Daar nadert in stormpas een regi-
ment met gevelde liajonnet, een officier met uitgetrokken degen
aan het hoofd;—hij is het—hij is het — ik lierktn hem. ik
spring van den wagen, ijl hem te gemoet en val in onmacht
aan zijne borst. Wat hij gevoelde, kunt gij wel denken. Zijne
krachtige armen ondersteunden mij; hij droeg mij naar den
wagen terug , beval den voerman , zich met den grootsten spoed
te verwijderen, en snelde toen zijn regiment achterna. Ik had
nog intusschen weer zoover besef, dat ik juist nog hoorde
hoe hij mij een boom aanduidde, waar wij elkander weder
zouden ontmoeten. Maarsfdert heb ik hem niet weergezien."
//De wagen bragt ons uit liet strijdgewoel , toen reden wij
langzamer, daar geen gevaar meer te vriezen scheen ; maar
plotseling werden wij door een troep Pruisische soldaten om-
ringd, die ons uit den wagen rukten en mij van alles beroofden ;
slechts het kleine kistje konde ik redden. Het zoude nog erger
met ons gegaan zijn, indien niet een edelmoedige jonge man,
die onder hen veel invloed scheen te hebben , hen met krach-
tige verwijten weerhouden had ons verder leed te doen. Uit
dankbaarheid schonk ik hem een ring van mijn vinger, dien
hij met wederstreven aannam. Wij gingen daarop voort zonder
te weten waarheen en dwaalden geruimen tijd rond, tot ik
eindelijk uw huisje voor mij zag en God dankte bij u een toe-
vlugtsoord te hebben gevonden."
Bij de laatste woorden zuchtte zij diep. Alle drie zaten eene
poos zonder te spreken, tot eindelijk de kleine Jeannette hare
#