Boekgegevens
Titel: Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Auteur: Bosman, J.M.H.; Charante, N.A. van; Duijs, P.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1871 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9991
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202459
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kinderverhalen (teksten), Kindergedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Vorige scan Volgende scanScanned page
twee maanden geen drop melk geproefd hebben en net twee
keer een ons boter hebben durven koopen. We moesten al-
les uitsparen voor brood en nu en dan voor eén paar kop
aardappelen. Gelukkig, dat we nog al te stoken hadden; al
geeft hout ook niet veel warmte in de kachel, het is toch
beter dan niets. Zoo sukkelden we van den eenen dag aan
den anderen, tot dat ik net van daag voor acht dagen het
laatste kwartje uit de kast kreeg om een half brood te halen
en voor twee centen zout. Den volgenden dag 's avonds had-
den we er nog maar een klein korstje van. We gingen vroeg
naar bed, want olie was er ook niet meer in huis. //Jongens,
Mie!" zei Toon tegen mij, //dat begint er gek uit te zien;
wat zullen we toch aanvangen?" /irJa, Toon!" antwoordde
ik, ,/dat weet ik ook niet; maar onze lieve Heer zal wel
uitkomst geven." //Dat is allemaal goed en wel," hernam
hij, //doch dan moeten wij toch maar niet zoo stilletjes blij-
ven zitten wachten. Mij dunkt, wij moesten maar een of
ander verkoopen , ge wilt toch niet van honger sterven ?" „Yer-
koopen vroeg ik, ,/wat ? we hebben niets te missen." //Wel,
een van de geiten," zei Toon, //daar kregen we al licht een
gulden of zes voor, dan konden we weer een tijd heen leven."
,/En dan in het vervolg altijd gebrek lijden? Als we maar
één geit houden, kunnen we geen varken meer mesten, en
dan zou het nog erger zijn 's winters. Neen, Toon! dat doe
ik niet." wNu , Mie!" sprak hij verder, en het kostte hem
moeite, om te zeggen, //als we dan eens door de buurvrouw
wat soep lieten halen bij de conferencie; er gaan er zooveel
heen, en de heeren hebben immers al dikwerf gezegd, dat we
maar gerust moesten aankloppen, als we wat noodig hadden."
//Maar Toon!" zei ik, /^gaan schooien? Dat doe ik nooit;
gij hebt goed praten, gij komt nooit op straat; maar ik, die
altijd onder de menschen kom, zou zoo ons fatsoen te grab-
belen gooien, nu op onzen ouden dag, daar we nog nooit
een cent van iemand genoten hebben; neen. Toon! ik at nog