Boekgegevens
Titel: Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Auteur: Bosman, J.M.H.; Charante, N.A. van; Duijs, P.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1871 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9991
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202459
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kinderverhalen (teksten), Kindergedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Vorige scan Volgende scanScanned page
% H'ï'
nacht en den doogestanen angst zoo vermoeid , dat hij weldra
in slaap viel; maar den kapitein was het onmogelijk te slapen,
daar hij met schrik dacht aan den trenrigen toestand, waarin
zij verkeerden. Een vurig gebed om uitkomst klom op tot
God, die machtig was, om ook thans nog te redden.
Toen Charles wakker geworden was, was vaders eerste werk,
hem met wat eten en drinken te verkwikken ; zijn tweede, een'
witten zakdoek te binden aan eene lange lat, die ook was
komen aandrijven, en deze in eene spleet der klip te steken ,
of er misschien eens een schip in de nabijheid mögt komen.
Zoo zat hij dag aan dag te turen, maar steeds vergeefs,
Intusschen begon, in weerwil van alle zuinigheid, de voorraad
steeds te verminderen, en vooral het biervaatje werd licht,
Charles zag wel, hoe goed zijn vader zich ook zocht te houden,
dat een hevige angst hem beklemde; en het was vooral om ziju'
jongen, dat de kapitein leed en somtijds sidderde bij de ge-
dachte , wat er van lien worden zou, als de laatste druppel
gebruikt was.
Twee maanden waren er reeds sedert de schipbreuk verloo-
pen , toen Charles op zekeren morgen afgetobd door gebrek en
verdriet, met het hoofd op de knie zijns vaders in slaap ge-
vallen was. Hij droomde, en wel van zijne moeder, broertjes
en zusjes, 't Was een mooie zomermiddag ; allen waren bij pa
aan boord , toen het schip behouden was aangekomen, innig
blijde, dat zij elkander weer gezond hadden teruggevonden.
Tegen den avond gingen allen in de sloep, om een roeitochtje te
maken ; moeder had een goeden voorraad kersen medegenomen ;
drie matrozen zaten aan de riemen ; het ging er heerlijk door;
maar daar stiet de sloep tegen een' paal, sloeg om en allen
spartelden in het water. Met een' schrééuw werd Charles wakkér.
Weldra lag hij weder in diepen slaap op de knie van va-
der, die zich niet bewoog, om zijn' slaap niet te storen. Nu
eens klom een stil gebed tot God om reilding, dan tuurden
zijne oogen weer over de zee. Daar ontdekt zijn geoefend zee-
\
1: