Boekgegevens
Titel: Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Auteur: Bosman, J.M.H.; Charante, N.A. van; Duijs, P.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1871 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9991
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202459
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kinderverhalen (teksten), Kindergedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Vorige scan Volgende scanScanned page
geten was en kast en spinde ledigr waren. Maar ook dan kwam
er uitkomst; hoe? zij wisten het vaak zeiven niet. Zoo was
het nog voor weinige dagen gebeurd, dat.... Maar wacht,
wij zullen Mie nu zelve laten verhalen.
;,Ja, taai hebben we het gehad met die kou," zoo begon
zij, terwijl ze opstond en de eene hand op de tafel, de an-
dere in de zijde zette; „en Toon heeft haast niets kunnen ver-
dienen. We hadden in den herfst wel een paar mud aardappe-
len van 't land gekregen, maar de helft bijna is wel wegge-
rot , zoodat ze lang voor Nieuwjaar al op waren. En van
ons varken was ook niets meer over, toen het zoo koud be-
gon te worden, want het was maar een klein beestje geweest,
en we hadden er de hammen en het spek van verkocht, omdat
Toon noodzakelijk een nieuwen hemdrok moest hebben. De
arme tobberd; hij is altijd zoo geplaagd met de jicht, en toen
dacht ik: zoo'n warme hemdrok zal hem goed doen, en ik
liet hem er een maken van besten baai van een daalder de el.
Wat was hij op schik, toen ik er mee thuis kwam, maar toch
deed hij of hij kwaad was. „Hadt gij voor dat geld maar
liever een wollen rok gekocht," zei hij, „dat was beter geweest,
want gij moet gedurig de straat op en ik blijf toch altijd thuis.
Zou je het goed nog niet kunnen omruilen of zou er mogelijk
voor jou ook nog een rok af kunnen?" „Maar zijt gij dan
niet wijzer. Toon?" vroeg ik; „omruilen, en de hemdrok is
al gemaakt, en nog een rok voor mij er af nemen, dat kan
niet; we hebben nog maar zeven gulden over." — Van die
zeven gulden hebben we den heelen winter moeten leven, en
van nog een paar gulden, die ik van de konijnen gemaakt
had. Nu en dan had Toon wel eens een paar klompen te lap-
pen. maar dat gaf toch niet veel; want de meeste menschen
doen het zelf, nu ze toch geen ander werk hebben en ook
niets verdienen. We moesten het dus zuinigjes overleggen.
Zoolang de geiten nog gaven, aten we 's avonds nog wel eens
rijstepap; maar die raakten ook al gauw droog, zoodat we in