Boekgegevens
Titel: Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Auteur: Bosman, J.M.H.; Charante, N.A. van; Duijs, P.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1871 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9991
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202459
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kinderverhalen (teksten), Kindergedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Vorige scan Volgende scanScanned page
% H'ï'
gelijk verdragen , dan nam zij hem mede naar de kast, niet
om hem daarin een daagje op te sluiten , neen, om uit het
trommeltje een koekje of krageling uit te zoeken en hem zijn
mond te stoppen, of, zooals zij het noemde, een pleister op
de wond te leggen. Nu, die pleister maakte de wond juist
grooter, want hij balkte nog harder, in de hoop van een nog
hoogere premie te zullen verdienen.
Papa verzon een ander middel, dat de kwaal beter zou doen
genezen.
De grootste huilpartij viel doorgaans voor gedurende den
middagmaaltijd. Naauwelijks had Johan al de borden overzien
en met het zijne vergeleken of hij meende dat hij zeer bena-
deeld was geworden en oogenblikkelijk begon hij zijn solo te
zingen. Nu is muziek aan tafel wel eens aardig en aange-
naam, maar het gezelschap was op zulke toonen niet zwaar
gesteld. Het beviel aan papa vooral niet.
„Zeg eens, jongetje!" zei hij, „dat is nu alle middagen
het geval, daar moet een eind aan komen. Ik eet liever
zonder muziek." Te gelijk stond papa op en zette hem in den
gang. Maar de zaak werd er nog erger door. Johan begon
nog harder te grienen eu te balken. Zijn geluid klonk door
het geheele huis, zoodat hooren en zien vergingen. Het was
een geschreeuw en geweld om onder te bezwijken.
„Wachteens," zei papa, „nu zal ik je voor goed genezen."
Hij greep Johan bij den arm, zette hem de voordeur uit op
den drempel van de stoep en zei, onder het sluiten van de
(leur: „haal nu je hart maar eens op met zingen ; ik twijfel
niet aan een belangstellend publiek."
Eu waarlijk, eerst zette hij zijn gewone deuntje voort: „hi,
hi! boe, boe! bewa...!" Maar het duurde niet lang of het
trok de aandacht van al de voorbijgangers , die niet begrepen
wat er gaande was. Ieder lachte hem uit. Hij schopte en
trapte van kwaadaardigheid , maar de deur bleef op slot.
„Die jongen lijkt wel zot!" riep de een. aKijk , wat een