Boekgegevens
Titel: Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Auteur: Bosman, J.M.H.; Charante, N.A. van; Duijs, P.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1871 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9991
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202459
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kinderverhalen (teksten), Kindergedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Vorige scan Volgende scanScanned page
% H'ï'
dan een ander. Nu eens had hij zich aan een speld gestoken.
Dan Tveder zich even op zijn vinger gebeten. Altijd dat oude
klaagliedje: /,hi,hi! boe, boe! bewa....!"
Papa knorde op hem en zei: //jongen , jongen ! wat staat
je dat bespottelijk en kinderachtig; houd toch op met dat grie-
nen . je bent al in je veertiende jaar, en dan over elk bagatel
zoon gejank en gegreins."
Mama werd soms boos en sprak //Als je eens wist hoe lee-
lijk het was, je zoudt er van schrikken, 't Is een gezicht om
honden en katten mee te vergeven. Kijk maar eens even in
den spiegel!" Het hielp niets, hij ging zijn gang maar en
zong onafgebroken zijn deuntje voort, hetzelfde deuntje zonder
eenige variatie, het liedje van: //hi, hi! boe, boe! bewa...!"
De kleine broertjes lachtten hem nit, en dan werden de
toonen nog veel scheller en scherper. Soms kon men geen
traan zien, maar soms wist men niet waar hij zoo spoedig de
tranen van daan haalde. Zijn oudste zuster Frederika, die zich
al meer en meer met de zaken der huishouding bemoeide, zei
wel eens: //tegen zoo veel tranen kan ik niet telkens zooveel
schoone zakdoeken bijbrengen." En hiervan was het gevolg,
dat hij rnet zijne vuile vingers—vooral als hij pas geknikkerd
had — langs zijn natte oogen en glibberige wangen wreef,
waardoor zijn gezicht er vrij smerig en viesch begon uit te
zien en veel op een vuilen vaatdoek geleek.
Het was te vergeefs of zijne ouders hem straften door hem
het een en ander te onthouden, of beloofden hem iets moois
te zullen geven, wanneer hij in geen veertien dagen gehuild
had. Hij kon het geen drie dagen volhouden. Hij vond zeker
zijn oude liedje veel mooijer.
Tante Eebekka, die mede het huis bewoonde, was er wel
een weinig de oorzaak zan, dat de huilpartij niet verminderde-
Zij was een zeer zwak mensch en zat altijd met een kiespijn-
doek om, wegens de zinkens in haar hoofd. En wanneer neef
Johan zijn grienende stem verhief, dan kon tante dat onmo-