Boekgegevens
Titel: Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Auteur: Bosman, J.M.H.; Charante, N.A. van; Duijs, P.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1871 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9991
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202459
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kinderverhalen (teksten), Kindergedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Vorige scan Volgende scanScanned page
groeft te verzadigen. „Heb ik nu weer niet wat lekkers voor
jelui sreliaald ?" vraagt Mie dan, en praat en lacht en schertst
met haar viervoeters als een moeder met haar kinderen zou
doen. De jonge big schijnt het minste idee te hebben van de
trouwe zorg zijner voedster; hij vreet maar gulzig voort en
knort nog op den koop toe; doch als de konijntjes, op hun
achterste pooten gezeten, hun spits snuitje zoo snoeperig door
de tralies steken, en als de helder witte geiten met haar groote
zwarte kijkers de oude sloof zoo recht vriendelijk aanstaren .
dan zou men waarlijk meenen, dat zij hare dankbaarheid wil-
len toonen voor de liefderijke verpleging. Eerst nadat haar
beesten gevoederd zijn, denkt Mie aan zich zelve. Toon heeft
gezorgd, dat de koffie warm is; Mie drinkt een kopje, kijkt
nog eens naar haar beestjes, streelt en klopt ze op ('en nek,
zamelt de verstrooide grashalmpjes en spiertjes bij een, en legt
deze tegen den dijk in de warme zon. „Nou, Toon! ik ga
maar weer," zegt ze dan, en herneemt haar wandeling naar
de rijswaard om een uur later weer met een nieuwe vracht
thuis te komen. Zóó krijgen haar beesten dagelijks overvloe-
dig voeder, en eiken dag wordt er tevens een gedeelte te dro-
gen gelegd voor den naderenden winter. Zóó bosje bij bosje,
halmpje bij halmpje zelfs, rijst dagelijks het hooistapeltje, dat
in den winter in het onderhoud harer dieren voorziet. Nu en
dan brengt zij in plaats van veevoeder een vracht sprokkel-
hout mee, dat tegen den guren tijd ook al tot een aardig
mijtje is aangegroeid; een gedienstig buurman heeft in het
voorjaar het stukje grond omgespit en poot en rooit in den
herfst de aardappelen; het varken, dat in ruime mate zijn
aandeel van de melk der geiten gekregen heeft, wordt tegen
Kerstmis geslacht, al is het ook niet heel zwaar; en zoo gaan
onze oudjes in den regel minder kommervol den winter te ge-
moet dan menig een wel zou denken, en voorzien steeds in
hun eigen onderhoud. Toch hebben zij ook wel eens dagen
van kommer en gebrek gehad, als de laatste snee brood ge-