Boekgegevens
Titel: Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Auteur: Bosman, J.M.H.; Charante, N.A. van; Duijs, P.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1871 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9991
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202459
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kinderverhalen (teksten), Kindergedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Vorige scan Volgende scanScanned page
% H'ï'
ontleenen zij insgelijks aan de veren, waarvan zij voorzien zijn."
ff Als ik u zoo vele dingen hoor optellen, papa! waarbij d"
veerkraclit te pas komt," ?ei Karei, „dan schijnt het wel of
ik altijd met geslotene oogen heb rond geloopen. Zoo even
toch wist ik er niet een op te noemen, en nu blijkt het dat
zij mij van alle kanten omringen."
//Daarom voortaan maar scherp toegekeken, mijn jongen!"
hernam papa, het vragen niet verzuimd, zoodoende kan
het niet missen of gij zult spoedig met veel bekend worden,
wat u thans nog volkomen vreemd is."
//Maar, Henri!" zei mama //hoe komt het toch, dat vele
dingen hunne vroegere veerkracht dikwijls geheel verliezen?"
//Daartoe kunnen verschillende oorzaken medewerken , lieve
Julie antwoordde papa. //Wordt eene veer te sterk omge-
bogen , of blijft zij te lang gespannen staan, dan maakt dit
haar ten laatste geheel werkeloos. Met de knip heeft zeker
iets dergelijks plaats gehad. Denkelijk is bij het wegzetten het
een of ander tusschen den slag geraakt, zoodat hij al dien tijd
half geopend is crebleven. Het ijzerdraad , daardoor le veel
uitgerekt, had zijne veerkracht verloren, rn kon dus den slag
niet meer doen toevallen.
//Zoo ziet men in stoelen of matrassen dikwijls deuken of
putten ontstaan, alleen daardoor, dat men bestendig op dezelfde
plek de veren te sterk zamendrukt, zoodat zij zich eindelijk
niet meer los kunnen winden. En hoe klemmen en vallen, ter
uitrocijing van onf;edierte opgezet, door te lang scespannen te
blijven staan, ten laatste geene dienst metr bewijzen, behoef
ik n wel niet te herinneren. Hoe dikwijls toch is ons daar-
door een mol ontsnapt, die anders vast niet ontkomen zou
zijn. Wil men dus alles, waarbij veren worden gebezigd, iu
bruikbaren staat houden, men verzuimc dan ook niet om ze
behoorlijk te ontspannen."
//Bedankt voor uwe opheldering, Henri!" zei mama; r/ik ben
nu geheel op de hoogte."