Boekgegevens
Titel: Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Auteur: Bosman, J.M.H.; Charante, N.A. van; Duijs, P.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1871 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9991
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202459
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kinderverhalen (teksten), Kindergedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Vorige scan Volgende scanScanned page
% H'ï'
ben. we hadden haar zeker niet zoo erg geplaagd! Maar,
als ze nu blijven wil , dan zal ik veel van haar houden!"
wEn ik — en ik," riepen we allemaal.
Toen het half uur ora was, durfden we niet naar beneden
gaan; we schaamden ons voor vader en moeder.
Doch eindelijk riep vader: »Nu kinderen, ik ga uit en 'k
zou uw antwoord wel willen weten !"
Nu vlogen we niet als dollemannen terug zooals we geko-
men waren! Neen, voetjen voor voetjen en de een trachtte
den anderen over te haleu om het woord te doen. We waren
het onder elkander nog niet eens wie het woord doen zou,
toen we al in de kamer waren en vlak voor vader stonden.
„Wel r zei hij.
Doch in plaats van antwoord te geven begonnen we alle-
maal te weenen en vlogen onze ouders om den hals.
7/Dat is mij antwoord genoeg! Over een uurtjen komt ,/Oitze
juf' terug, maken jelui het dan met haar maar af," zei va-
der en ging heen.
Een voor een gingen we naar de kinderkamer terug en ke-
ken door de ramen of we haar niet zagen aankomen !
Eindelijk kwam ze aan !
We hoorden haar binnen komen en moeder zeggen: „Als ge
uwe natte kleederen hebt uit getrokken, juf, dan moet ge eens op
de kinderkamer gaan,— de kinderen hebben u iets te zeggen!"
„Ik voel mijn hart nog kloppen als ik er aan denk. Daar
ging cle trap: krik-krik-krik. „Ze zal eerst naar boven gaan,"
üachten we. Maar neen, de deur ging open en daar stond ze
Geen van ons allen zeide iets! Wij jongens stonden met
den vinger in den mond en de meisjes begonnen te huilen.
„Nu kinderen, wat is er dan toch?" vraagde ze eindelijk.
Nu kon ik het ook niet langer uithouden. Ik liep naar haar
toe, viel liaar snikkende om den hals en riep; „toe lieve juf,
toe, och toe, blijf „onze juf" maar!"
Toen ik dat gezegd had kwamen ook al de anderen uanloo-