Boekgegevens
Titel: Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Auteur: Bosman, J.M.H.; Charante, N.A. van; Duijs, P.
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1871 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9991
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202459
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kinderverhalen (teksten), Kindergedichten (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zaadkorreltjes, gestrooid in de harten van de lieve jeugd: bijdragen in proza en poëzie
Vorige scan Volgende scanScanned page
% H'ï'
Pe juf gaf er een glimp aan en zei dat ze liever wat dich-
ter bij hare moeder wilde wonen,
We vonden het in ons hart toch eigenlijk heel mooi van
haar, dat ze ons niet verklikken wilde en, als we nu nog eens
alles ongedaan hadden kunnen maken, mogelijk zouden we dan
wel veel van haar gehouden hebben en ook gehoorzamer ge-
weest zijn ; maar nu waren we te trotsch om ons te beteren
en voor haar anders te worden.
Eens op een morgen zou ze naar de stad gaan en pas was
ze weg of 't begon hard te regenen en te waaien.
;,Wat zal de »juf" nat zijn," zeide moeder.
»0, 't is maar een bonne," zeide ik.
Vader had het gehoord en vraagde: „wat zeg-je daar Georg?"
„Wel vader,'' gaf ik ten antwoord, „ik zeg dat het maar
eene bonne is!"
,/Zou eene bonne dan ook geen mensch zijn ?" vraagde vader.
Geen van ons allen durfde neen te zeggen; want dat wisten
wij wel beter.
Toen we zoo zwegen zei vader: „Hoor eens kinderen, ik
heb u iets te vertellen."
In den oorlog tegen België hebben onze soldaten getoond,
dat ze nog wat durfden als het er op aan kwam. Maar de
soldaten konden niet alles alleen doen, zoodat het niet lang
duurde of de schutterijen moesten ook uittrekken. Onder deze
laatsten was ook de heer van Wervelen, die opgeroepen werd
om de grenzen van het oude vaderland te verdedigen. In den
oorlog is hij nooit geweest; maar men behoeft niet altijd te
vechten om doodgeschoten te worden. Eens dat hij, als luite-
nant 's nachts de ronde deed om te zien of de schildwachten
wel op de posten waren, zag hij op een afgelegen plaats een
man loopen. Van Wervelen riep: „werda,'' doch de man in
plaats van antwoord te geven keerden zich om en schoot in
het donker op goed geluk een pistool af. Pas had hij dit
afgeschoten of hij ging op de vlucht; maar de schildwachten,